Jungbluth

De Prijs van Zwak onderwijs: http://www.kaans.nl/doc/De%20prijs%20van%20zwak%20onderwijs_%20Paul%20Jungbluth%202014.pdf (essay)

Interview – Vrij Nederland http://www.vn.nl/Archief/Samenleving/Artikel-Samenleving/De-hogere-klasse-heeft-haar-standenonderwijs-weer-terug.htm

Interview

‘De hogere klasse heeft haar standenonderwijs weer terug’

Door Anja Vink
5 maart 2015
Leestijd: 17 minuten

Om achterstandsleerlingen vooruit te helpen, is het cruciaal dat leerkrachten beter worden. Dat zegt onderwijssocioloog Paul Jungbluth. ‘Arm en rijk komen elkaar haast niet meer tegen op school.’

Arme kinderen hebben een bovengemiddelde kans op slechter onderwijs dan kinderen uit een welvarend gezin. Dat gegeven wordt bijna overal ter wereld geconstateerd. Maar in Nederland, zegt onderwijssocioloog Paul Jungbluth, heerst het beeld dat er juist jarenlang teveel aandacht is geschonken aan achterstandsleerlingen, en dat de betere leerlingen daar de dupe van zijn geworden. ‘Een beeld waar we maar al te graag in geloven. Maar het klopt niet. We weten al heel lang dat de kloof tussen achterstandsleerlingen en de rest van de leerlingen in Nederland zeker zo groot is als in andere landen. Naast die zelfovertuiging dat we al genoeg doen, bestaat ook het gevoel dat het allemaal zo hopeloos lijkt. Het schiet maar niet op met die achterstanden. Maar onderwijsongelijkheid zal nooit verdwijnen. De ongelijkheid in het onderwijs heeft juist blijvende aandacht nodig. We kunnen heus wel iets verbeteren voor de kinderen die juist heel erg afhankelijk zijn van goed onderwijs.’

Jungbluth heeft in zijn bijna veertigjarige carrière voortdurend aandacht gevraagd voor deze groep leerlingen. In 1982 promoveerde hij aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen op de achterstand van meisjes en de achterhaalde opvatting van docenten over wat meisjes dienden te leren. Zijn begeleider was hoogleraar onderwijssociologie Jos van Kemenade, de voormalige minister van Onderwijs in het kabinet Den Uyl (1974-1977). Vervolgens deed Jungbluth onderzoek naar gedifferentieerd leren en ontdekte dat dat soort onderwijs met name voor achterstandsleerlingen funest is: ze worden systematisch te laag ingeschat door leerkrachten en krijgen niet voldoende leerstof aangeboden, waardoor hun achterstand in stand blijft.

Daarna werd Jungbluth leider van het landelijk onderzoek naar prestaties van alle basisschoolleerlingen – het PRIMA Cohort, dat tegenwoordig COOL heet – en beschreef in 1991 de gemiddelde leerachterstand van twee jaar van leerlingen van migrantenafkomst. Nu doet hij onderzoek naar de autochtone achterstandsleerlingen in Zuid-Limburg. Volgens Jungbluth een onterecht vergeten groep.

Hoe erg is het dan?
‘Wie ouders heeft met een jaarinkomen lager dan 37.000 euro (het armste kwart van de leerlingen) maakt in vergelijking met leerlingen uit het rijkste kwart (ouders met meer dan 68.000 euro per jaar) vier keer zoveel kans rond zijn zestiende op een onderwijsniveau lager dan de mavo te zitten. Ben je daar bovenop van niet-westerse afkomst, dan ligt die kans nog hoger: meer dan de helft van deze leerlingen gaat naar dit type onderwijs. Van alle vierdejaars in het vwo stamt maar liefst 45 procent uit het hoogste inkomenskwart en maar 12 procent uit het laagste kwart. Dit zijn gewoon cijfers van het ministerie van Onderwijs die iedereen kan nazoeken.

Uit mijn onderzoek in Limburg blijkt bovendien dat arme kinderen met eenzelfde talent als niet-kansarme kinderen in het basisonderwijs systematisch minder leren. Dat is het verschil tussen mavo of havo bij het advies van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. Dat heet in de sociologie: institutionele discriminatie.’

Wat kunnen we daartegen doen?
‘Vermijd slecht onderwijs door zwakke leerkrachten, zo simpel is de eerste stap. Op 20 procent van de basisscholen in Zuid-Limburg presteren leerlingen zwak, ook als ze gecorrigeerd zijn naar achtergrond. Ik weet geen betere verklaring dan dat ze ondermaats onderwijs krijgen. En op die scholen zitten buitengewoon vaak veel achterstandsleerlingen die stelselmatig lager worden ingeschat, ook bij dezelfde prestaties als middenklasse leerlingen. Maar er is ook een lichtpuntje: 20 procent van de best presterende scholen weten die achterstandsleerlingen wel verder te krijgen. En sterker nog: ze weten de betere leerlingen óók nog een stap verder te krijgen. Deze scholen hebben een manier van werken gevonden die effectief is. Daar zitten vaak de beste leraren die weten dat wat ze ’s ochtends die ene leerling hebben geleerd, ’s middags nog eens moet worden herhaald. En een week later weer. Van die scholen kunnen we leren.’

St. Jozefschool: Paul Jungbluth (staand, 2e van rechts, met bril), 1961, schoolreis naar Schiphol. St. Jozefschool: Paul Jungbluth (staand, 2e van rechts, met bril), 1961, schoolreis naar Schiphol.

Waar komt uw interesse in achterstandsleerlingen vandaan?
‘Ik was er zelf ooit een. Mijn beide overgrootvaders waren wevers in de buurt van Aken. Mijn vader werkte als stoker in een machinale weverij. Hij was een ongeschoolde handarbeider en hun kinderen waren de toenmalige achterstandsleerlingen. In ons milieu werd ook niet veel gelezen. Ik ben geboren in Vaals, vlak tegen de Duitse grens aan. Mijn moeder overleed toen ik acht was. We hingen een vrij achterlijk katholiek geloof aan en geloofden dat bidden tegen kanker zou helpen. Ook toen mijn moeder dood was, moest ik nog voor haar zonden bidden. Ik kon me alleen niet bedenken wat ze fout had gedaan.

‘Ik snap de sociale gedragscodes van het hooggeleerde gezelschap niet goed. Ik kan me dat niet goed eigen maken.’

We kregen een tweede moeder. Mijn broer denkt dat zij waarschijnlijk bepalend is geweest voor onze schoolcarrière: wij hebben uiteindelijk allebei gestudeerd. Op de lagere school zorgde zij ervoor dat we in de laatste jaren met een paar leerlingen Franse les kregen. Dat was een teken dat je meer aankon, maar voor die extra lessen moest wel betaald worden. Daarna konden we toelatingsexamen doen voor de hbs, een soort voorloper van de huidige citotoets. Maar in de ogen van mijn vader was leren eigenlijk nietsdoen. Je leverde geen bijdrage aan het gezinsinkomen zoals in veel gezinnen rond je vijftiende van je werd verwacht. Hij regelde in de zomer een baantje op de fabriek, want dan had je toch niets te doen.

Ik heb aan het eind van de hbs op mijn jongenskamer twee boeken gelezen: over sociologie en psychologie. Hoe ik daarbij kwam, weet ik niet. Op basis daarvan heb ik de keus voor sociologie gemaakt. Toen ik tijdens mijn studie in aanraking kwam met het onderzoek “Het verborgen talent” had ik opeens het gevoel: dit gaat over mij. Van 1961 tot 1967 onderzocht de Leidse hoogleraar Van Heek waarom kinderen uit handarbeidersmilieus minder vaak naar hoger onderwijs gingen, ondanks hun capaciteiten. Van Heek legde de oorzaak uiteindelijk toch bij het milieu. Dat onderzoek riep iets in mij wakker en dat heeft mij definitief op het spoor van de onderwijssociologie gezet.’

Een van uw collega-onderwijssociologen heeft ooit eens tegen mij gezegd dat u een post als hoogleraar bent misgelopen omdat men u te lastig vond, maar dat u het zeker had verdiend.
Jungbluth knikt rustig. ‘Ja, natuurlijk wilde ik dat uiteindelijk ook wel. Het duurde heel lang voordat ik snapte waar het mee te maken had en waar ik altijd last van heb gehad: ik snap de sociale gedragscodes van het hooggeleerde gezelschap niet goed. Of beter: ik kan me dat niet goed eigen maken. En dat heeft veel te maken met het arbeidersmilieu waarin ik ben opgegroeid. Ik ben ongeduldig en zeg te veel en te lang wat ik vind en dat is niet handig als je carrière wilt maken. Ik ben de ene klasse ontgroeid en geen lid geworden van de andere, zoals Mick Matthijs dat beschrijft in zijn boek Doorzetters. Dat is een heel mooi onderzoek naar de kansarme kinderen die door Van Heek zijn onderzocht en verder hebben gestudeerd. Ik heb het met natte ogen gelezen. Dat was alweer mijn verhaal. Maar ik heb daar nu vrede mee. Mijn carrière heb ik nu mooi afgesloten met onderzoek dat mij na aan het hart ligt: de ontwikkelingskansen van Limburgse leerlingen.’

Maar er is toch wel wat veranderd in die veertig jaar?
‘Ik denk dat die achterstandsleerlingen van nu nog steeds tegen die voor hun onbekende codes over gedrag, accent en woordkeus oplopen. Daar gaat een wereld aan mentaliteitsverschillen achter schuil, zoals in 1971 al door Basil Bernstein werd beschreven in Class, Codes and Control. Tegelijkertijd heb ik – en heeft mijn hele generatie – heel veel kansen gehad en zijn heel veel arbeiderskinderen van toen toegetreden tot de middenklasse en hoger. We zijn als Nederland in die veertig jaar een welvarend middenklasseland geworden met in vergelijking met andere landen geen grote onderklasse. Toentertijd heette dat arbeidersmilieus, nu is het gewoon relatieve armoede. Maar er is in de tussentijd wel een verborgen discours ontstaan waarin de eigen schuld centraal staat. Die achterstand is vooral geïndividualiseerd. Of is gereduceerd tot leer- en taalachterstanden of gedragsproblemen. Het onderwijsbeleid is er ook niet doordachter op geworden. Voortdurend zijn er nieuwe aparte maatregelen en namen bedacht: kansenbeleid, voorscholen, voortijdig schoolverlaten, passend onderwijs, radicalisering op scholen. Het gaat allemaal over achterstand, maar niet over de institutionele manco’s van het onderwijsstelsel. Oftewel: het is je eigen schuld, want: “Ja, het milieu, hè, wat kan je daar als school nou aan doen? Ze willen geen Nederlands leren.” Of ze vertonen asociaal gedrag, typisch voor de zwaar getatoeëerde onderklasse. Er heerst ook een houding van: “Wij hebben die kansen wel gegrepen en dus kunnen zij dat ook.” Maar de vraag is of de kansen van deze leerlingen inderdaad voor het grijpen liggen en of er ook een hand wordt uitgestoken. Terwijl het heel hard nodig is nu steeds meer duidelijk wordt dat de sociale ongelijkheid de sociale vrede bedreigt en de arbeidsmarkt echt geen plaats meer heeft voor laag opgeleiden.

Veertig jaar later staan we met het onderwijs inderdaad in een andere tijd. In de jaren zeventig had sowieso de helft van de leerlingen een achterstand: de meisjes. Die meisjes hebben hun achterstand glorieus ingehaald. Ik heb me wat hen betreft ook stevig vergist. Ik concludeerde in de jaren zeventig dat de onderwijseisen voor meisjes lager lagen dan voor jongens en dat ze aan “meisjesnormen” werden onderworpen. De exacte vakken zouden niets voor hen zijn. Ik voorspelde dat meisjes meer aan de jongensnormen zouden worden onderworpen. Dat leverde overigens bij mijn promotie politiebewaking op. Een groep feministes had gedreigd de bijeenkomst te verstoren omdat mijn conclusie seksistisch was.

Maar grappig en wellicht cynisch genoeg is bijna het tegenovergestelde gebeurd. Dat wordt wel de feminisering van het onderwijs genoemd, maar het gaat veel dieper dan dat er vooral vrouwen werkzaam zijn in het onderwijs. De hele beroepenwereld is gefeminiseerd: het werk is gestandaardiseerd, vereist meer zelfbeheersing, veel overleg en verslaglegging en is in hoge mate risicomijdend. Het onderwijs sluit in dat opzicht ook niet aan bij de straatcultuur van jongens uit achterstandsgroepen. Op het voetbalveld en in snelle bijbaantjes vind je die feminisering niet. Veel jongens krijgen door die dubbele verwachtingen in de maatschappij het gevoel dat onderwijs er niet toe doet.’

'De kloof tussen achterstandsleerlingen en de rest is hier net zo groot als in andere landen.' ‘De kloof tussen achterstandsleerlingen en de rest is hier net zo groot als in andere landen.’

En hebben die andere achterstandsleerlingen ook hun achterstand ingehaald?
‘We hebben in vergelijking met toen zeker veel minder achterstandsleerlingen. En daarmee lijkt het probleem opgelost, maar dat is niet zo. We hebben achterstandsleerlingen weggereduceerd: door een veranderde definitie in 2006 is gewoon de helft verdwenen. Daarnaast is de omschrijving van de doelgroep hopeloos achterhaald; die grijpt nog terug op de definitie van de jaren zeventig en negentig die door toenmalig onderwijsmister Van Kemenade is ingesteld. Ik constateer in mijn onderzoek in Limburg dat veel leerlingen die niet voldoen aan de definitie van achterstandsleerling dat wel degelijk zijn. Ze komen bijvoorbeeld met een flinke taalachterstand naar school. Dan heb ik het over autochtone leerlingen. En die zitten dan heel vaak op scholen met wel erkende achterstandsleerlingen. De school is op papier geen achterstandsschool, maar in werkelijkheid dus wel. Die scholen worden net zo gemeden als die zwarte scholen in de grote steden. Tachtig procent van die niet-westerse achterstandsleerlingen zit op een school met alleen leerlingen van dezelfde afkomst. Arm en rijk komen elkaar haast niet meer tegen op school.’

Zijn de leerkrachten daar wel op toegerust?
‘Het beroep van leerkracht is niet meegegroeid, terwijl onze maatschappij hoger opgeleid is geraakt. Sterker nog: gaandeweg hebben we de eisen verlaagd. Op veel basisscholen zijn de leerkrachten lager opgeleid dan de ouders die hun kinderen ernaartoe brengen. Het is geen kwestie van imago, maar letterlijk daling van sociale status in brede zin. Waar veertig jaar geleden de kweekschool de universiteit van de armen was, is het nu een opleiding voor meisjes met havo zonder wiskunde. Erger nog: velen van hen haalden ooit Cito-scores die ver beneden het niveau van hun huidige leerlingen ligt. We hebben die lerarenopleiding niet laten meegroeien met de steeds hoger opgeleide maatschappij. Veel leerkrachten zullen dat als een belediging zien, maar het is helaas de realiteit: sommige leerkrachten zijn gaan behoren tot de lagere middenklasse qua inkomen, met kleine banen.

‘Het oordeel over een school van kansrijke ouders is harder en sneller dan dat van de inspectie van het onderwijs.’

Maar je ziet ook dat de hogere elite voor haar kinderen heel andere scholen eist: de gymnasia, de bètascholen, de tweetalige scholen en onderwijs voor hoogbegaafden. Ze zitten de leerkrachten op de basisschool voortdurend op hun hielen. Op het vwo kiezen veel meisjes nu wel bèta omdat de elite weet dat daar de toekomst zit. En die scholen bereiden weer voor op de selectieve University Colleges en studies in het buitenland. De hogere klasse heeft haar standenonderwijs weer terug.

Tegelijkertijd hebben we voor het eerst ook een generatie ouders wier kinderen niet vanzelfsprekend ook hoogopgeleid zullen raken: de zogenoemde succesarme kansrijken. De niveaustijging zoals we die jarenlang hebben meegemaakt, is ook bij de hogere en middenklasse over zijn hoogtepunt. Voor die ouders is de kwaliteit van het onderwijs een reële risicofactor. En dat geeft dus bestaansrecht aan alle bijspijkercursussen, citotoetstrainingen, huiswerkinstituten en examencursussen. Opdat het nageslacht maar even hoog opgeleid wordt, ondanks het tegenvallende talent. Maar het échte onontdekte talent zit nog onder de achterstandsleerlingen. Al dat informele onderwijs wordt juist niet voor hen ingezet. En dat is wel degelijk een overheidstaak: het aanbieden van deugdelijk onderwijs voor allen. Ga voor die definitie maar gewoon af op het gedrag van kansrijke ouders. Hun oordeel over een school is harder en sneller dan dat van de Inspectie van het Onderwijs.’

Wat moeten we dan nu anders doen om ervoor te zorgen dat die achterstandsleerlingen wel het onderwijs krijgen dat ze nodig hebben?
‘We moeten anders gaan kijken naar de definitie van achterstandsleerlingen en de financiering van kansenbeleid. En daar bedoel ik geen verkapte bezuiniging mee, maar een analyse wanneer een kind wel of geen achterstandsleerling is. Vervolgens is het de vraag of we het geld zomaar aan de schoolbesturen moeten geven of het juist moeten oormerken en bewaken hoe effectief zij dat geld besteden. Nu weten we daar niets over: het verdwijnt gewoon in de lump sum.

Vermijd slecht onderwijs door zwakke leerkrachten, ik zeg het nog maar eens, zo simpel is het. Trek daarnaast een deel van het geld uit om slechte leraren te laten afvloeien en niet voor cursussen aan mensen die er nog jaren over doen om zich te verbeteren. We hebben het al jaren over functioneringsgesprekken en andere beloning, maar we komen geen stap dichterbij. Elk vernieuwingsbeleid loopt vast op klachten van gemotiveerde professionals over hun zwakke broeders. Zet goede leerkrachten voor hen in de plaats. En dat hoeven echt niet allemaal academisch opgeleide leerkrachten te zijn, maar ook gewoon zeer ervaren leerkrachten.

Zoek uit waarom die 20 procent goede scholen wel werken. Daar heb je wel meer voor nodig dan het oordeel van de Inspectie van het Onderwijs, die alleen een minimumoordeel geeft. Hoe komen de leerlingen binnen, wat is de verwachting van de leerkracht, in welke groep doen ze het wel goed? Waarom zakken de rekenscores in die klas? Vergelijk scholen onderling, wissel niet vrijblijvend ervaringen uit. Houd de resultaten bij, bespreek die met bestuurders en directeuren en zet ze in voor verbetering. Kijk naar andere arbeidsintensieve sectoren waar men succesvolle werkwijzen vaststelt en niet alleen afgaat op hoe werknemers denken dat het moet. Dat is in het onderwijs een wijd verspreid maar misplaatst autonomiedenken.

Ik pleit er ook voor dat schoolbesturen in een regio de handen ineenslaan samen met de universiteiten en lerarenopleidingen. We hebben ons onderwijs in handen gegeven van autonome schoolbesturen en die moeten nu echt eens hun verantwoordelijkheid nemen. Zoals hier nu in Zuid-Limburg gebeurt, dat is een kansrijk begin.’

Dus u blijft nog wel een paar jaar voor de universiteit werken?
‘Zolang ik die ruimte krijg. Ik wil dat het onderzoek onafhankelijk blijft en achterstandsleerlingen vooruit helpt. Het gevaar bestaat altijd dat de harde uitkomsten weer vergoelijkt worden en ondergaan in de sores van alledag. Kansenbeleid houdt nooit op. Het is als het onderhoud aan de dijken.’

Het essay ’De prijs van zwak onderwijs’ leest u hier

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s