Coöperatief leren – groepswerk – werkvormen

  • Effectieve leertijd : wat gebeurt er tijdens de klasdag? Een onderzoek naar benutten van lestijden en inzetten van werkvormen

    Lia Blaton UGent (2017) WELWIJS. 28(1). p.26-30

    abstract
    In dit artikel bespreken we de resultaten van een kwalitatief onderzoek naar effectieve leertijd in drie scholen met een hoog percentage indicatorleerlingen. Vanuit het beleid werd sterk ingezet op het omkaderen van deze scholen om hun onderwijskwaliteit te versterken. We zoemen in op het benutten van de leertijd en het inzetten van werkvormen tijdens de lessen. De resultaten tonen dat er grote verschillen zijn tussen scholen in de mate waarin leertijd benut wordt. Daarnaast zijn er ook verschillen tussen wat leerkrachten zeggen en doen op vlak van het inzetten van werkvormen.
    Please use this url to cite or link to this publication: http://hdl.handle.net/1854/LU-8517290

     

  • Coöperatief leren : analyse van groepswerk in de praktijk

    Lia Blaton UGent (2017) WELWIJS. 28(1). p.30-33

    abstract
    In een eerste artikel bespraken we de effectieve leertijd en de wijze waarop werkvormen benut worden binnen vakken (Nederlands, wiskunde en wereldoriëntatie) in drie basisscholen. Dit artikel gaat verder in op hoe coöperatief leren vorm krijgt in deze basisscholen. We illustreren dit aan de hand van twee groepjes in het vierde leerjaar van twee scholen. De resultaten tonen dat er grote verschillen zijn tussen scholen in de mate waarin coöperatief leren kwalitatief ingezet wordt. Tot slot geven we, aansluitend bij de bevindingen van dit onderzoek, enkele tips voor de onderwijspraktijk.
    Please use this url to cite or link to this publication: http://hdl.handle.net/1854/LU-8517296

kansarmoede – klasse

“Ja, leraren kunnen kansarmoede aanpakken in hun klas”

Leraren voelen zich vaak machteloos tegenover kinderarmoede. Toch kunnen ze het leren en leven van kinderen in armoede duurzaam verbeteren: door hun executieve functies te stimuleren. Wat dat zijn?
Docent kleuteronderwijs Sanne Feryn en prof. orthopedagogiek Dieter Baeyens leggen uit.

Wat zijn executieve functies?

Dieter Baeyens: “Om op school en in de maatschappij te functioneren, redeneringen op te bouwen, problemen op te lossen of te plannen, heb je goed ontwikkelde executieve functies nodig. Ze zorgen ervoor dat je je gedrag, je emoties en gedachten kan sturen en gericht kan inzetten. We worden niet met die skills geboren, maar kunnen ze vanaf de kleuterklas ontwikkelen via krachtige interacties en oefeningen.”

Hoe herken je die executieve functies in de klas?

Dieter Baeyens: “Een kind van wie de impulscontrole niet voldoende sterk ontwikkeld is, wordt vaker afgeleid en kan zijn aandacht moeilijk richten. Tuur kan zijn aandacht bv. niet bij zijn rekenspel houden omdat Mohammed in de andere hoek met autootjes speelt. Of je merkt het aan Lowie die niet meteen kan stoppen met bewegen als de muziek ophoudt of aan Amina die haar antwoord eruit flapt voor de leraar haar aangeduid heeft.”

Sanne Feryn: “Het werkgeheugen stelt ons in staat om 2 dingen tegelijk te doen en plannen en instructies van anderen te onthouden. Zo kan Jamal bij een gezelschapsspel in de kleuterklas goed onthouden wie er telkens aan de beurt is. En heeft Yassir problemen om verschillende instructies in één keer te onthouden, bijvoorbeeld ‘ga naar het toilet, neem je jas en ga naar de speelplaats’.

Portret

Dieter Baeyens: “Kinderen die cognitief flexibel zijn, kunnen zich vlot aanpassen aan nieuwe situaties en tussen 2 of meer taken wisselen. Als Finn op een probleem botst, kan hij gemakkelijk een andere manier bedenken om het op te lossen. Cognitieve flexibiliteit heb je nodig om iets vanuit een ander perspectief te bekijken, plannen, bij te sturen en een andere aanpak uit te proberen.”

Sanne Feryn: “Al deze voorbeelden focussen op de puur cognitieve aspecten van de executieve functie. Maar deze 3 functies – impulscontrole, werkgeheugen en cognitief flexibel zijn – worden ook ingezet in emotioneel geladen situaties en dan komt er ook emotieregulatie aan te pas. Probeer maar eens 24² uit het hoofd te rekenen als je weet dat je er een hoofdprijs mee kan winnen.”

“Voor kleuters geldt hetzelfde: als hun emoties ze overrompelen, kunnen ze niet optimaal functioneren. Leer kinderen stil te staan bij hun eigen emoties, ernaar te kijken en te kanaliseren. Als Jonie beseft dat hij boos was en daardoor zijn vriendje heeft pijn gedaan en de juf dus boos is, heeft hij een belangrijk inzicht verworven.”

De kleuterleeftijd is een cruciale fase voor de ontwikkeling van die executieve functies?

Dieter Baeyens: “Dat klopt. Die vaardigheden ontwikkelen zich samen met de voornamelijk prefrontale hersenkwabben. Tussen de leeftijd van 3 en 5 jaar staan de hersenen wijd open voor prikkels van buitenaf en maken kinderen hun meest spectaculaire groei: ze leren zich te focussen, afleidingen te weerstaan, hun beurt af te wachten, verschillende opdrachten te onthouden en door te zetten. Na hun vijfde is de groei veel kleiner. Al is de prefrontale cortex wel pas volgroeid in de jongvolwassenheid.”

Sanne Feryn: “Sterke executieve functies bij kleuters zijn van groot belang voor leerprestaties zoals rekenen en leren lezen, voor de schoolrijpheid (overgang naar het eerste leerjaar) en de sociaal emotionele ontwikkeling van een kind. Ze werken bijna voorspellend.”

Portret

Dieter Baeyens: “Bovendien blijf je daarop nieuwe executieve functies bouwen: tieners die in de klas in staat zijn om te luisteren én tegelijk te noteren, die kunnen plannen en organiseren, die kunnen weerstaan aan de verleidingen van de social media en niet ontregeld geraken als mama zegt: ‘Ik zal wat later thuis zijn, let jij een beetje op je kleine broer?’”

Kinderen in armoede scoren slechter op die executieve functies? Hoe komt dat?

Dieter Baeyens: “Kleuters die opgroeien in een kwetsbare situatie lopen een groter risico op zwakkere executieve functies. Stressvolle contexten zoals armoede, maar ook verwaarlozing of geweld zorgen voor toxische stress die de neurologische ontwikkeling van de prefrontale cortex tegenhoudt. Bovendien is de kans groter dat hun ouders hen minder sterk ondersteunen om die functies te ontwikkelen, omdat die met ‘overleven’ bezig zijn. Het gevaar dat ze in de kleutertijd al een sociaal-emotionele en cognitieve achterstand oplopen, is groot.”

Sanne Feryn: “Uit onze nultest met 240 Vlaamse kleuters blijkt dat kinderen met SES-kenmerken significant lager scoren op executieve functies dan hun leeftijdsgenoten uit de middenklasse. Uit internationaal wetenschappelijk onderzoek blijkt dat wie als kleuter laag scoort op zelfregulering, later meer kans maakt om zonder diploma uit te stromen, het moeilijker krijgt om financieel alles op orde te krijgen en te houden en meer risico loopt om te roken op 15 jaar.”

Via de executieve functies kan je dus aan armoede werken?

Dieter Baeyens: “Leraren hebben weinig invloed op de armoede thuis. Maar ze kunnen wel in de klas die executieve functies extra stimuleren en oefenen. Dat is goed voor elk kind maar je maakt daarmee méér verschil voor een kind dat in armoede leeft. Het is goed dat leraren zich daar meer bewust van worden.”

Sanne Feryn: “Ik train kleuteronderwijzers om hun EF-bril op te zetten en te kijken hoe zij kleuters begeleiden, hoe ze hun klas kunnen organiseren en welke activiteiten ze kunnen aanbieden om die executieve functies te stimuleren. Als kinderen meester zijn over hun gedrag, kunnen ze actief leren en zijn ze niet langer slaaf van hun omgeving. Wie aan executieve functies werkt, verbetert het leren van (kans)arme kinderen duurzaam. En zo verhoog je de kans dat ze later een succesvol leven leiden.”
Met het project ‘Zet je EF-bril op’ vormt de stad Aalst, i.s.m. Odisee Hogeschool en KU Leuven, kleuteronderwijzers om de zelfsturende vaardigheden bij kleuters te stimuleren. Zo wil de stad een stimulans geven om kinderarmoede via onderwijs aan te pakken. Meer info op www.ef-bril.be

logo Kleine kinderen grote kansenHet project ‘Kleine Kinderen Grote Kansen’ wil kinderarmoede en sociale ongelijkheid in Vlaanderen helpen aanpakken. In dat kader zetten alle lerarenopleidingen kleuteronderwijs in op kwaliteitsvolle interacties in de klas. Hoe creëer je een krachtige leeromgeving die de ontwikkeling van taal, denken en relaties in de klas stimuleert? Meer info op www.grotekansen.be

spijbelen – klasse

“Spijbelen? Niemand blijft hier onder de radar”

De! Kunsthumaniora Antwerpen had een paar jaar geleden een belabberde spijbelreputatie. Maar in amper 2 jaar tijd slaagde de school erin om het aantal spijbelaars te halveren. Dat deed ze met een strikte opvolging, én een zachte begeleiding.

Greet Cremelie en Katrien Legrand

Spijbelgevoelig

Katrien Legrand, pedagogisch directeur: “Wij zijn een heel ‘spijbelgevoelige’ school. De school telt 2 campussen die ver van elkaar liggen, de leerlingen komen vaak van ver. Bovendien heeft iedereen een individueel lessenrooster, dus andere lesuren. Toch waren we verrast toen we onze spijbelranking van de stad Antwerpen kregen. De leerlingen geven immers aan dat ze hier graag schoollopen.”

“Samen met het CLB turfden we gedetailleerd onze spijbelgegevens, op zoek naar patronen: tijdens welke uren wordt het meest gespijbeld, welke lessen? Nu moeten alle leraren élk lesuur registreren wie aanwezig is. Voortaan heeft niet enkel de titularis, maar het hele schoolteam aandacht voor spijbelaars.”

Zorgprobleem

Greet Cremelie, CLB GO! Antwerpen: “Vroeger sloten we leerlingen die vaak spijbelden een dag uit van school. Nu krijgen leerlingen die niet gewettigd afwezig waren eerst een uitnodiging om die afwezigheid alsnog te wettigen. Vanaf 6 halve dagen B-codes spreekt de titularis ze aan.”

“Vanaf 10 halve dagen moeten ze samen met hun ouders op gesprek komen, en polsen we naar de reden van hun spijbelgedrag. Vaak blijkt daar dat de spijbelaars lessen overslaan omdat ze bijvoorbeeld schrik hebben van de leraar, of omdat ze voor hun zieke zus moeten zorgen. Achter spijbelgedrag zit vaak een psychologisch probleem of een problematische opvoedingssituatie. Daar gaan we mee aan de slag.”

“We zien spijbelen vooral als een zorgprobleem, geen tuchtprobleem. Dus volgt er niet meteen een strafstudie, wel begeleiding op maat, zoals een gesprek met de leerlingenbegeleider of CLB-medewerker. Je moet vooral blijven communiceren. Een contract gebruiken we pas als allerlaatste stok achter de deur.”


Achter spijbelgedrag zit vaak een psychologisch probleem of een problematische opvoedingssituatie. Daar gaan we mee aan de slag.”

Greet Cremelie – CLB GO! Antwerpen

Strikt opvolgen

Katrien Legrand, pedagogisch directeur: “Omdat we heel kort op de bal spelen, moesten we vorig jaar tot wel 30 leerlingen per week uitnodigen voor een gesprek. Nu stuurt het secretariaat nog elke week 130 mails naar ouders en leerlingen met de vraag om afwezigheden te wettigen.”

“Maar de strikte opvolging werpt haar vruchten af: geen enkele spijbelaar blijft hier onder de radar. De leerlingen weten dat ze met hun zorgen op school terechtkunnen. Dat trekken we zelfs door tot in de taal van het schoolreglement. Zo spreken we nooit over een problematische afwezigheid, want de leerling zelf is niet altijd het probleem. Ook daarin willen we een warme school zijn.”

12 brillen om naar kinderarmoede te kijken

kenp_armoede_12frames-1kenp_armoede_12frames-1bron: klasse, – cfr. ook onderzoek baldwin van gorp

12 brillen om naar kinderarmoede te kijken

 

In de boekentas van Sarah zit altijd een lege brooddoos, maar het meisje draagt wel de nieuwste K3-schoenen. Hoe kijk jij naar haar armoede? Jouw bril bepaalt welk probleem je ziet en wat een mogelijke oplossing is. Professor Baldwin Van Gorp ontdekte 12 brillen om mee naar kinderarmoede te kijken.

illustratie van kinderen met brooddoosBaldwin Van Gorp, professor journalistiek (KU Leuven), onderzocht honderden teksten en distilleerde 12 mogelijke brillen (of frames) waarmee we naar armoede kijken.

Baldwin Van Gorp: “Mensen beseffen vaak niet met welke bril ze naar armoede kijken. Als je die frames expliciteert, worden ze er zich plots wel van bewust. Het ene juiste frame bestaat niet. De 12 verschillende frames zijn niet beter of slechter maar vormen een gereedschapskist om genuanceerder naar kinderarmoede te kijken, om oorzaken en oplossingen te zoeken.”

“Sommige frames (1, 2, 6, 9, 11) brengen kinderarmoede in verband met een probleem (slechte ouder, weinig zorgende maatschappij…). Andere frames (3, 4, 5, 7, 8, 10, 12) nodigen vooral uit om vanuit een ander perspectief te kijken (de kracht van kinderen in armoede, als we samenwerken kunnen we wel iets bereiken…).”


Met welke bril kijk jij?

    1. 1“Het is toch erg, ik heb zo veel compassie met Sarah. Ocharme, dat kind.”

      FRAME 1: Uit medelijden schiet je de kinderen in armoede te hulp want ze zijn zelf niet in staat zich te redden. Het kind is het onschuldige slachtoffer en zit vast in de rol van de zwakke, de afhankelijke die moet geholpen worden.

      Dit frame bekijkt ‘de arme’ als een hulpeloos wezen, het vergeet zijn ‘kracht’ en ‘potentie’.

 


    1. 2“Sarah? Als we nu niet ingrijpen, komt daar later niet veel goeds van.”

      FRAME 2: Kinderen die in armoede leven, zijn tikkende tijdbommen die later meer kans hebben op een zwakke gezondheid of om werkloos te worden. Als we nu niet ingrijpen worden ze een last en kost voor de samenleving, een blok aan het been.

      Dit frame mobiliseert wel, maar speelt ook in op angstgevoelens.

 


    1. 3“We zien in Sarah alleen het probleemkind, niet haar mogelijkheden, kansen en dromen. Sarah heeft nochtans alles in zich om het te maken.”

      FRAME 3: Armoede is geen eigenschap van het kind, maar van zijn omgeving. Ook een kind in armoede zit boordevol pit. Het kind is een sterke kiem. Als we werken aan de voedingsbodem groeit het uit tot een sterke boom of mooie bloem.

      Dit frame is positief, toekomstgericht. Het loont om te investeren in de strijd tegen armoede.

 


    1. 4“We zaten met de ouders van Sarah rond de tafel. Ze gaven ons tips en informatie over wat belangrijk is voor hen.”

      FRAME 4: We kunnen de strijd tegen kinderarmoede winnen als alle betrokken partijen, inclusief de kinderen en hun ouders samenwerken als gelijkwaardige partners. We moeten armoede bestrijden, niet de armen. Samen staan we sterk.

      Dit frame is hoopgevend en actiegericht.

 


    1. 5“Niet alles is hopeloos. Kijk naar Vincent Kompany, die groeide op in een arme buurt van Brussel en heeft het toch gemaakt.”

      FRAME 5: Armoede is niet louter een probleem maar kan ook een harde leerschool zijn. Iedere arme is een ervaringsdeskundige, een expert. Zijn levenservaring, kennis en inzichten zijn noodzakelijk om kinderarmoede te begrijpen en bestrijden.

      Dit is een hoopvol frame, het bekijkt armoede niet louter problematisch.

 


    1. 6“In Sarahs boekentas zit altijd een lege brooddoos, maar ze draagt wel de nieuwste K3-schoenen.”

      FRAME 6: Arme ouders zijn zelf verantwoordelijk voor hun armoede: ze zijn lui, zoeken geen werk, roken en drinken of gebruiken drugs, of waren al heel jong zwanger. Het zijn slechte ouders. En als ze K3-schoenen kunnen kopen, zijn ze misschien niet echt arm.

      Dit frame is top-down. Wij bepalen wat positief en negatief is, de ‘armen’ moeten zich aanpassen.

 


    1. 7“Sarahs mama doet echt alles voor haar. Ze wil net als wij alleen maar het beste.”

      FRAME 7: Arme ouders zijn mensen zoals jij en ik. Het enige verschil is dat hun levensomstandigheden hen dwingen tot keuzes die wij niet hoeven te maken. Dat maakt het ze soms moeilijk om een goede ouder te zijn.

      Dit frame heeft een positief uitgangspunt.

 


    1. 8“Arm zijn of worden? Het is een lotje van de loterij. Sarah heeft pech dat ze in dat gezin geboren is.”

      FRAME 8: Armoede heeft niks te maken met individuele keuze en gedrag. Het lot, waar je wieg heeft gestaan, bepaalt welke kansen je krijgt. Bovendien kan iedereen in armoede vervallen: na een zwaar ongeval, een ziekte, echtscheiding, jobverlies.

      Dit frame is best fatalistisch.

 


    1. 9“Steeds meer kinderen zijn zo arm als Sarah. Er gaat toch iets fout met onze samenleving?”

      FRAME 9: Kinderarmoede is zoals koorts, een symptoom van een dieper maatschappelijk probleem: onze maatschappij is niet meer in staat om goed te zorgen voor iedereen. Het is aan de overheid om hier wat aan te doen, niet aan mij.

      Dit frame legt de schuld van armoede niet bij de arme zelf en riskeert dat je de verantwoordelijkheid alleen bij de overheid legt.

 


    1. 10”Dat er kinderen in onze school geen eten hebben, maakt me boos. In de 21ste eeuw? Daar moeten we iets aan doen.”

      FRAME 10: Kinderarmoede strookt niet met onze fundamentele maatschappelijke waarden zoals gelijke kansen, individuele ontplooiing, participatie en solidariteit. Kinderarmoede is een wake-upcall: we moeten in gang schieten.

      Dit frame gooit engagement in de strijd. Verontwaardiging werkt als motor.

 


    1. 11“Erg voor Sarah en haar ouders, maar blij dat het mij niet overkomt.”

      FRAME 11: Kinderarmoede aanpakken doen we vooral om ons geweten te sussen, uit religieuze verplichtingen of om onze maatschappij ‘op orde’ te houden: ieder zijn plaats. We helpen wel, maar echt iets veranderen kunnen (of willen) we toch niet.

      Dit frame problematiseert de armoedebestrijding en verhindert dat armen zelf hun lot in handen nemen.

 


  1. 12“Een kind is toch niet arm als het geen smartphone heeft en er thuis geen auto is?”

    FRAME 12: Dit frame stelt de huidige westerse manier van leven en ons consumptiepatroon in vraag. Is een kind zonder smartphone arm? Geen liefde en aandacht is toch erger dan materiële tekorten? Je gaat ervan uit dat echte armoede in Vlaanderen niet bestaat.

    Dit frame zet ons consumptiepatroon en statussymbolen op losse schroeven.

Het ene frame is niet beter of slechter dan het andere. Kijk vooral vanuit verschillende frames naar leerlingen in armoede. Dan zie je meer oorzaken en ook meer oplossingen.
Meer lees je in ‘Weg van het Stigma, hoe kunnen we anders communiceren over kinderarmoede’. Je downloadt de studie gratis op www.kbs-frb.be.

12 Kijkkaartjes rond armoede

Op 12 kaartjes staan nog eens alle frames uitgelegd. Ze kunnen je helpen om samen met collega’s op een andere manier naar armoede in de klas te kijken en een genuanceerder armoedebeleid uit te tekenen op school.

Printde 12 kaartjes.
Of gebruik de interactieve tool hieronder om het gesprek te starten.

Gebruik de tool op iOS

Gebruik de tool op PC of Android

12 kaartjes

Hervormingen SO: overzicht (historiek) – commissie Monard

  • PowerPoint: met overzicht van Commissie Monard tot ontwikkelingen hervormingen SO in 2012.

hervormingen-secundair-onderwijs_blatonvandeputte_261012

  • Linken naar rapport Monard etc.
      • Commissie Monard (20 april 2009). Kwaliteit en kansen voor elke leerling. Een visie op de vernieuwing van het secundair onderwijs. Voorstel Commissie Monard.
      • Commissie Monard: waarom?
        • 2008: opdracht van Frank Vandenbroucke, toenmalig Minister van Onderwijs aan groep deskundigen (Commissie Monard) om na te denken over het Secundair Onderwijs:

          Ons secundair onderwijs is te eenzijdig cognitief gericht, zeggen velen. Anderen zijn er best tevreden mee en wijzen op de hoge internationale waardering ervan. Intussen lijkt de tendens om te evolueren naar een competentie-ontwikkelend onderwijs zich sterk door te zetten. Hoe bewaren wat goed is, en toch open staan voor vernieuwing? Hoe in de scholen veranderingscapaciteit inbouwen, de structuren en de randvoorwaarden van het secundair onderwijs aanpassen aan de geest van de tijd, en toch de hoge kwaliteit behouden?

            De degelijkheid van het Vlaams secundair onderwijs overeind houden, brede vorming nastreven, werken aan vaardigheids onderwijs met veel aandacht voor kennis, voor de juiste houdingen, voor de toepasbaarheid van het geleerde, voor grondigheid, de band maken met de wereld van jonge mensen aan het begin van de 21ste eeuw (…)”

          (p.5 Rapport Commissie Monard)

        • Gedeeld vertrekpunt: SO is anno 2008 niet meer afgestemd op de noden
          • Werkwijze: brede consultatie van ‘het veld’

          –Kerngroep

          –Reflectiegroep

          visie-nota ° 24 april 2009

Secundair onderwijs, de hervormingen 2012

‘Peeters die zich moeit? Slecht teken’
Vlaamse oppositie snakt naar nieuwe minister van Onderwijs
  • dinsdag 27 november 2012, 03u00
  •  
  • Auteur: Van onze redacteur Maarten goethals
http://1.standaardcdn.be/Assets/Images_Upload/2012/11/26/228ac33a-37e4-11e2-b086-3c4e3ce0cc55_original.jpg.h380.jpg
Bart Dewaele
 
EXTRA VOOR ABONNEES
BRUSSEL – Pascal Smet vindt zichzelf nog altijd geschikt om de moeilijke hervorming van het middelbaar onderwijs door woelige wateren te loodsen. Ondanks de striemende kritiek.
Een minister-president die een belangrijke nota van een collega-vakminister openlijk bij het huisvuil zet en zegt dat het verkeerde debat woedt? Nog maar zelden gezien. Toch voelt Pascal Smet (SP.A) zich als auteur van de onderwijsnota niet aangesproken. De minister van Onderwijs doet rustig voort met de hervorming van het secundair onderwijs en ziet niet meteen een vuiltje aan de lucht.
Meer nog: het socialistische kabinet benadrukt dat de oorspronkelijke timing van de hervorming blijft zoals die is. Begin volgend jaar zal de Vlaamse meerderheid een ‘regeringsnota’ neerleggen met eerste, concrete voorstellen. ‘En die zullen zeer duidelijk zijn’, klinkt het. ‘Mét de steun van de twee andere coalitiepartners.’
Ten laatste in juni 2014 komt dan de regering met een breed gedragen voorstel.
Minister-president Kris Peeters (CD&V) uitte gisteren in deze krant zijn grieven over de huidige gang van zaken. (DS 26 november) Hij vond dat de ‘trein stilstaat in het station’ en dat een hervorming met de grootte van een big bang af te raden valt. ‘Wil je alles in één keer realiseren, dan kom je nergens’, klonk de niet mis te verstane waarschuwing. Daarom dat het Vlaams Parlement woensdag een actualiteitsdebat voert over de verklaringen van Peeters.
Nivellering
Bij Smet worden die grieven eerder geïnterpreteerd als een steunbetuiging, ‘schouder aan schouder’.
De minister-president heeft nochtans belang bij het kort houden van zijn minister. Als de onderwijsdebatten opnieuw sereen en vlot verlopen, kan Peeters, en niet Smet, dat verkopen als een persoonlijk feit.
Daarnaast speelt de politieke aversie tussen de N-VA en de SP.A mee. In het verleden reageerden de Vlaams-nationalisten allergisch op alle mogelijke voorstellen van de socialisten, en vice-versa. De partij van Bart De Wever vreest dat een verregaande hervorming onvermijdelijk een ‘nivellering’ inhoudt die in de eerste plaats de ‘sterksten’ treft. Door het debat ondubbelzinnig naar zich toe te trekken en deels los te weken van links, werkt Peeters dat scepticisme weg. Want ook CD&V gruwelt van een inderhaast ingevoerde hervorming. Met de verkiezingen van 2014 in het achterhoofd is het bovendien altijd handig om de N-VA in zoveel mogelijk beleidsdomeinen te neutraliseren. Dat Bart De Wever in juni de plannen van Smet afbrandde, schreef iedereen toen toe aan de electorale koorts van de gemeenteraadsverkiezingen. Nu Peeters de hervorming naar zich toetrekt, zal de N-VA zich wellicht inschikkelijker opstellen.
Aankondigingspolitiek
Het is niet de eerste keer dat Pascal Smet onder vuur ligt door de eigen coalitiepartners. Vooral zijn idee om jongeren in hun eerste jaren middelbaar meer technische vakken te geven ten koste van Latijn, zette kwaad bloed.
De oppositie wrijft zich ondertussen in de handen. In het interview met Peeters ziet ze een bevestiging van haar eigen gelijk: dat Smet veel te veel aankondigt en de zaken altijd grotesk weergeeft, maar finaal weinig realiseert. ‘Leerlingen en leerkrachten verdienen een betere minister van Onderwijs’, vindt Elisabeth Meuleman, fractieleider van Groen.
‘Wanneer een minister-presidenten zich moet moeien, is dat nooit een goed teken’, zegt Marleen Vanderpoorten (Open VLD). En zij kan het weten, ze was jarenlang minister van Onderwijs.
EERDERE POGINGEN
  • dinsdag 27 november 2012, 03u00
  •  
  • Auteur:
http://1.standaardcdn.be/Assets/Images_Upload/2012/11/26/744141f4-37e4-11e2-b086-3c4e3ce0cc55_original.jpg.h380.jpghttp://1.standaardcdn.be/Assets/Images_Upload/2012/11/26/93f1828e-37e4-11e2-b086-3c4e3ce0cc55_original.jpg.h380.jpghttp://1.standaardcdn.be/Assets/Images_Upload/2012/11/26/73c6bc72-37e4-11e2-b086-3c4e3ce0cc55_original.jpg.h380.jpg
pn
 
EXTRA VOOR ABONNEES
1999-2004
OPZET: Op vraag van minister van Onderwijs Marleen Vanderpoorten (Open VLD) brengt de Koning Boudewijnstichting in 1999 overleg op gang over de hervorming van het middelbaar onderwijs en de herwaardering van het technisch en beroepsonderwijs. Dat leidt naar het project Accent op talent. In twee rapporten krijgt het onderwijs de nieuwe opdracht ‘alle talenten te ontwikkelen’, door ‘anders leren, anders werken, anders kiezen en anders besturen’.
RESULTAAT: Met de steun van de minister gaan ‘voortrekkersprojecten’ van start.
2004-2009
OPZET: De volgende minister van Onderwijs, Frank Vandenbroucke (SP.A), herdoopt die projecten tot proeftuinen. Op het hoogtepunt lopen 81 proeftuinen in 600 scholen. Vandenbroucke wil onderwijs en werk nauwer doen samenwerken en hoopt tegen het einde van de regeerperiode te landen met de hervorming van de onderwijsstructuren.
RESULTAAT: Het lukt niet meteen. De hervorming blijkt moeilijker dan gedacht. Wel schrijft oud-topambtenaar Georges Monard een basisnota met de contouren van de hervorming.
2009-nu
OPZET: In de huidige regeerperiode sneuvelen de proeftuinen, maar de nieuwe minister, Pascal Smet (SP.A), belooft om de hervorming van het secundair onderwijs af te ronden tegen het einde van de regeerperiode.
Smet schrijft in september 2010 een oriëntatienota, met als grote lijnen: uitstel van studiekeuze tot veertien jaar, een brede eerste graad, afschaffing van de schotten tussen aso/tso/bso/kso en een beperking van de studierichtingen.
In het voorjaar 2012 laat coalitiepartner N-VA weten het hiermee oneens te zijn. Een deel van de onderwijswereld kant zich dan eveneens tegen de hervormingsnota van Smet.
RESULTAAT: Minister-president Kris Peeters (CD&V) trekt het dossier naar zich toe.
Middelbaar laat zich niet hervormen
Analyse Bureaucratie en ongeloof in eigen kunnen zijn rem op verandering
  • dinsdag 27 november 2012, 03u00
  •  
  • Auteur: g.teg.
Het hoger en het basisonderwijs maakten de vorige decennia succesvol meerdere hervormingen mee. In het middelbaar onderwijs lukt dat maar niet. Hoe komt dat?
 
EXTRA VOOR ABONNEES
MIDDELBAAR ONDERWIJS
In het secundair veranderde er sinds eind de jaren tachtig structureel nauwelijks iets. Daar zijn vijf verklaringen voor.
Er is weinig externe druk op dit onderwijsniveau en als die er is, wordt die prompt tegengesproken met de overtuiging ‘dat ons middelbaar onderwijs het beste ter wereld is’ . Tot voor kort waren er Oeso-cijfers die dat bevestigden. Sinds enkele jaren zakt Vlaanderen weg in die rangschikking, maar dat dringt niet door.
Het Vlaams middelbaar onderwijs is extreem gebureaucratiseerd : alles ligt vast in regels; zowel de programma’s als wie wat mag geven en op welk uur. Decennialang zorgden die regels voor kwaliteit, nu maken ze elke verandering onmogelijk. Elke kleine wijziging vergt dat duizenden bladzijden regel voor regel moeten worden herschreven.
Het lesgeven is zodanig gereglementeerd en verkaveld dat zelfs de kleinste hervorming, de job van honderden leerkrachten bedreigt . Dat is hét middel om veranderingen tegen te houden.
In Vlaanderen worden geen oefeningen gemaakt over het onderwijs in 2020 of 2030 , het onderwijs van de toekomst. Vlaanderen meet zijn onderwijs af aan het verleden.
De laatste verklaring is het voortbestaan van het watervalsysteem: de grote statusverschillen tussen studierichtingen, en de leerkrachten en de leerlingen die ze bevolken.
Dat is gekoppeld aan het merkwaardige geloof van leerkrachten, scholen en ouders dat onze leerkrachten niet in staat zijn tegelijk de goede leerlingen te laten uitblinken en de zwakkere leerlingen op te trekken . Goed zijn voor de zwakkeren gaat ten nadele van de sterkeren, is een geloof dat maar in een paar plaatsen ter wereld bestaat, waaronder Vlaanderen.
Op dat geloof stoelt ook de mislukking van het inclusief onderwijs (dat elders in de wereld wel lukt): personen met een handicap zoveel mogelijk in het gewone onderwijs opnemen.
Is er iets dat daar verandering in kan brengen? De toenemende druk van Europa over het hoge aantal mislukkingen in het Vlaams onderwijs kan een begin zijn. Net als het verder wegzakken van Vlaanderen in de Oeso-rangschikkingen.
HOGER ONDERWIJS
Het hoger onderwijs wordt al sinds de jaren tachtig bijna permanent hervormd. Aanvankelijk ging het vooral over schaalvergroting: van enkele honderden instellingen naar amper een tiental, gegroepeerd in vijf associaties. Vanaf 2000 kwam daar onder druk van Europa de reorganisatie naar het Bachelor-Master-model bij, een andere financiering, en recent de inkadering van de professionele masters in de universiteiten. Dat verliep niet conflictloos, maar het proces blokkeerde nooit.
BASISONDERWIJS
Ook het basisonderwijs kon zich aanpassen. Het kreeg een nieuw decreet in 1997, en een nieuw ‘landschap’ in 2003. Ook dat leidde tot discussies, maar nooit tot blokkeringen.
Een aantal hervormingen werd evenwel niet toegepast: zo volgt 99,8 procent van de scholen nog altijd het jaarklassensysteem, hoewel dat sinds 1997 niet meer verplicht is.
Pascal Smet: ‘Mijn nota is al twee maanden van de baan’
  • maandag 26 november 2012, 12u56
  •  
  • Auteur: bbd
Kris Peeters (CD&V) en Pascal Smet (SP.A)archieffoto
Kris Peeters (CD&V) en Pascal Smet (SP.A) archieffoto
Photo News
Lees ook
Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet (SP.A) reageert laconiek maar ook wrevelig op het interview met zijn regeringsleider, Kris Peeters, in De Standaard. Mijn oriëntatienota over de hervorming van het middelbaar onderwijs, was al lang van de baan, zegt hij. Begin 2013 wil hij een goedgekeurde regeringsnota klaar hebben over het onderwijs.
De nota van Pascal Smet, die heel wat stof had laten opwaaien, is van de baan. Dat zei minister-president Kris Peeters vandaag in De Standaard. Hij pleit voor een stapsgewijze hervorming van het middelbaar onderwijs.
In een persbericht laat Onderwijsminister Smet weten dat de nota al lang van de baan was. Als oriëntatienota heeft de nota trouwens haar doel bereikt, vindt Smet.
‘Mijn oriëntatienota heeft zijn doel bereikt. Deze nota is overigens al maanden van de baan. Het was een oriëntatienota die als doel had het debat te oriënteren. Een nota gebaseerd op het regeerakkoord en de nota van George Monard trouwens. De discussie van de afgelopen maanden heeft aangetoond dat het debat georiënteerd is en dat het nu tijd is om een duidelijke inhoudelijke hervorming te beslissen. Ik ben blij dat de minister-president dat ook vindt en het opnieuw bevestigt.’
In het kranteninterview zegt Kris Peeters dat hij schouder aan schouder met Pascal Smet werkt aan een beter middelbaar onderwijs. Smet zegt niets anders te willen.
‘Je kan niet zeggen dat er aan de ene kant in de samenleving structurele hervormingen nodig zijn en aan de andere kant vinden dat onderwijs daar niet mee aan moet doen. Ik sta dan ook schouder aan schouder met de minister-president om ook in het onderwijs structurele hervormingen door te voeren.’
Er zit wat wrevel in het persbericht van de minister van Onderwijs.
Als Kris Peeters zegt dat hij geen big bang in het onderwijs wil, klinkt het bij Smet: ‘Uiteraard moet dat geen big bang zijn – dat was overigens ook nooit de bedoeling – en gaat dat best met een geleidelijke maar duidelijke hervorming met stapsgewijze maatregelen. Een trein heeft inderdaad tussenhaltes. Maar dat betekent wel dat je weet wat je kader en je einddoel is. Je laat geen treinen vertrekken zonder te weten naar waar ze rijden. Anders wordt het een rit naar nowhere. Elke manager weet dat.’
Dat laatste is een reactie op de opmerking van Kris Peeters dat de hervormingstrein stilstaat.
Begin 2013 wil Smet een goedgekeurde beleidsnota hebben over het secundair onderwijs. ‘Daar is ook de afgelopen weken binnen de meerderheid constructief aan verder gewerkt en ik wil dat zo houden.’
Kris Peeters sprak in het interview met De Standaard over een visienota of masterplan tegen het einde van de bestuursperiode, voorjaar 2014 dus.
Onderwijs-nota van Pascal Smet is van de baan
  • maandag 26 november 2012, 08u19
  •  
  • Auteur: guy tegenbos
Kris Peeters
Kris Peeters
belga
 
De nota van minister Pascal Smet (SP.A) over de hervorming van het middelbaar onderwijs is van de baan. Dat zegt minister-president Kris Peeters (CD&V) in De Standaard. ‘Het middelbaar onderwijs gaat stapsgewijs hervormen. We gaan niet ineens alles veranderen.’
In juni trok Kris Peeters al eens aan de noodrem nadat de regeringspartners N-VA en de SP.A over een hervorming van het middelbaar onderwijs met elkaar in de clinch waren geraakt. Het politieke draagvlak voor die hervorming verdween, en toen bleek dat ook het draagvlak in het werkveld kleiner was.
Kris Peeters: ‘De discussie ontspoorde. Het ging alleen nog over hoeveel uren Latijn er zouden overblijven en over de B-attesten, die afgeschaft zouden worden. Dat is het verkeerde debat. Jammer dat het zo is gevoerd. Zo kwam er te veel ruis op het beeld.’
Maar er moet alleszins een hervorming komen, vindt Peeters.
‘De trein staat stil in het station en dat is niet goed. De hervorming moet weer op gang komen. Dat gaat niet in één ruk, maar wagon per wagon. Wil je alles in één keer doen, een big bang, dan kom je nergens. Maar er moet wel iets gebeuren. Bij experts als Georges Monard en Dirk Van Damme, die een topfunctie bekleedt bij de Oeso, leer ik dat ons middelbaar onderwijs goed is maar dat de knipperlichten branden. Niets doen is géén optie. We zakken weg.’
Dat leerlingen pas op hun veertiende een studiekeuze zouden maken, lijkt wel van de baan. Tegen dat uitstel bestond er veel verzet.
‘De keuze van een richting op twaalf jaar is niet het hoofdprobleem, leren experts mij. Niet de richting, maar de schoolkeuze is het belangrijkste. Dat los je niet op door de studiekeuze naar veertien jaar uit te stellen of de eerste graad gemeenschappelijk te maken.’
De oriëntatienota van Smet is in elk geval weg.
‘Dat was een persoonlijke nota van Pascal Smet. Ze is nog nooit besproken in de regering. Ik betreur hoe de zaken gelopen zijn. We kunnen op die basis nu het debat niet meer voeren. De methode die ik voorstel voor het vervolgtraject, is: ‘de school van de toekomst’. Zoals de vraag naar ‘de fabriek van de toekomst’ het nieuw industrieel beleid heeft uitgeklaard. Dat levert geen pasklaar antwoord op, wel een denkmethode die vooruit helpt.’
Peeters maakt het concreter: ‘De overgang van basis- naar secundair onderwijs bijvoorbeeld, de aanpassing van de lerarenopleiding, de vermindering van het aantal richtingen. Het eindstation zal concreter worden als we het naderen. Het zou niet wijs zijn nu alle contouren vast te leggen. Niet alleen de politiek, ook scholen, leerkrachten en ouders moeten hun inbreng hebben. Daarvoor was eerst een politieke consensus nodig.’
 Het hele interview met Kris Peeters leest u vandaag in De Standaard.
‘Geen big bang in het onderwijs’
Kris Peeters over de ‘School van de toekomst’
  • maandag 26 november 2012, 03u00
  •  
  • Auteur: Tom Ysebaert,Guy Tegenbos
‘Ik zet mij niet in de plaats van Pascal Smet, ik sta schouder aan schouder met hem.'
‘Ik zet mij niet in de plaats van Pascal Smet, ik sta schouder aan schouder met hem.’
Bart Dewaele
 
BRUSSEL – Het middelbaar onderwijs gaat stapsgewijs hervormen. We gaan niet ineens alles veranderen, zegt Vlaams minister-president Kris Peeters (CD&V). Zet hij minister van Onderwijs Pascal Smet (SP.A) opzij? Neen. Maar diens nota is wel van de baan.
Rond de hervorming van het middelbaar onderwijs is het stil geworden. In juni trok de minister-president aan de noodrem nadat de N-VA en de SP.A erover met elkaar in de clinch waren geraakt. Het politieke draagvlak voor die hervorming verdween, en toen bleek dat ook het draagvlak in het werkveld kleiner was.
Kris Peeters: ‘De discussie ontspoorde. Het ging alleen nog over hoeveel uren Latijn er zouden overblijven en over de B-attesten, die afgeschaft zouden worden. Dat is het verkeerde debat. Jammer dat het zo is gevoerd. Zo kwam er te veel ruis op het beeld.’
Een werkgroep van de Vlaamse regering ging de zaak uitklaren. Het werd stil. Tot ex-topambtenaar Georges Monard in De Standaard een geleidelijke aanpak bepleitte: niet alles in één beweging hervormen. (DS 15 november)
U volgt topambtenaar Georges Monard?
‘De trein staat stil in het station en dat is niet goed. De hervorming moet weer op gang komen. Dat gaat niet in één ruk, maar wagon per wagon. Wil je alles in één keer doen, een big bang, dan kom je nergens. Maar er moet wel iets gebeuren. Bij experts als Georges Monard en Dirk Van Damme, die een topfunctie bekleedt bij de Oeso, leer ik dat ons middelbaar onderwijs goed is maar dat de knipperlichten branden. Niets doen is géén optie. We zakken weg.’
U moet kiezen tussen iets doen voor de sterken of de zwakken?
‘In Vlaanderen leeft bij velen, zelfs bij leraars, de hardnekkige overtuiging dat goede resultaten halen met de topgroep niet samengaat met zorg voor de minder sterken. Onzin. Finland en Canada bewijzen dat dit wel kan. Dat moet hier ook doordringen!’
Wat met de brede eerste graad, het uitstel van de studiekeuze van twaalf naar veertien jaar?
‘De keuze van een richting op twaalf jaar is niet het hoofdprobleem, leren experts mij. Niet de richting, maar de schoolkeuze is het belangrijkste. Dat los je niet op door de studiekeuze naar veertien jaar uit te stellen of de eerste graad gemeenschappelijk te maken.’
Gingen we ook niet de schotten weghalen tussen het aso, tso en bso?
‘Dat is niet eens het moeilijkste. In scholen die alle onderwijsvormen op één campus hebben, zal dit snel lukken. Elders zal dat tijd vergen. Laat de scholen er stapsgewijs naartoe evolueren. Allicht is een schaalverandering nodig.’
Zet u zich niet in de plaats van minister van Onderwijs Pascal Smet (SP.A)?
‘Neen. Ik sta schouder aan schouder met hem, samen met de hele regering. Ik ben bezorgd. In de eerste plaats als minister-president. Het regeerakkoord bevat belangrijke afspraken over de hervorming van het middelbaar onderwijs; waken over de uitvoering ervan, is mijn job. Ten tweede ben ik ook bezorgd als minister van Economie. Het nijverheidsonderwijs zit in een neerwaartse spiraal. Als we niet opletten, is er over vijf jaar geen technisch onderwijs meer (zie inzet). Dat kan niet voor onze economie! We werkten al een STEM-actieplan uit om meer jongeren aan te trekken naar de richtingen science, technology, engineering en mathematics. Maar er is meer nodig.’
Wat rest nu nog van de oriëntatienota van Smet?
‘Dat was een persoonlijke nota van Pascal Smet. Ze is nog nooit besproken in de regering. Ik betreur hoe de zaken gelopen zijn. We kunnen op die basis nu het debat niet meer voeren. De methode die ik voorstel voor het vervolgtraject, is: ‘de school van de toekomst’. Zoals de vraag naar ‘de fabriek van de toekomst’ het nieuw industrieel beleid heeft uitgeklaard. Dat levert geen pasklaar antwoord op, wel een denkmethode die vooruit helpt.’
Kan het concreter?
‘U gaat mij niet horen zeggen hoe de eerste graad er gaat uitzien, want dan komen er meteen hevige reacties en raken we niet vooruit. Sommige hervormingen kunnen wel snel in gang worden gezet. De overgang van basis- naar secundair onderwijs bijvoorbeeld, de aanpassing van de lerarenopleiding, de vermindering van het aantal richtingen. Het eindstation zal concreter worden als we het naderen. Het zou niet wijs zijn nu alle contouren vast te leggen. Niet alleen de politiek, ook scholen, leerkrachten en ouders moeten hun inbreng hebben. Daarvoor was eerst een politieke consensus nodig.’
Is die er?
‘Alle meerderheidspartijen zeggen dat er iets moet gebeuren en dat we dit stapsgewijs moeten aanpakken. De afspraak is dat er tegen het einde van de bestuursperiode een visienota moet liggen. Of een masterplan. Niet de status van die tekst is belangrijk, wel dat de hervorming begint.’
 

De morgen
“Plan Smet om studiekeuze uit te stellen is nutteloos”
Door: Kim Herbots − 09/10/12, 08u41  − Bron: De Morgen
http://static3.demorgen.be/static/photo/2012/16/7/0/20121009083845/media_xl_5226555.jpg
© belga. Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs.
De studiekeuze uitstellen tot 14 jaar, zoals minister van Onderwijs Pascal Smet (sp.a) wil, is nutteloos en hypothekeert de toekomst van jongeren. Dat zegt Dirk Van Damme, een van de toplui bij de OESO als het op onderwijs aankomt.
·          
De focus ligt te veel op de zwakkeren, terwijl vooral de midden-moot het steeds minder doet
Dirk Van Damme, onderwijstopman OESO
·         http://static3.demorgen.be/static/photo/2012/15/4/10/20121009083417/media_l_5226535.jpg
Vlaanderen focust te veel op kansengroepen, terwijl vooral de doorsnee- en topleerling het alsmaar minder doet. Een onderwijshervorming die daaraan voorbijgaat zou nefast kunnen zijn. Dat is de mening van Dirk Van Damme. Van Damme is niet de eerste de beste. Voor hij naar de OESO vertrok als hoofd van het Centrum voor Onderwijsonderzoek en -vernieuwing was hij onder meer afgevaardigd bestuurder van het gemeenschapsonderwijs en adjunct- kabinetschef bij toenmalig onderwijsminister Luc Van den Bossche (sp.a).

Hij wil de hervorming van het secundair onderwijs, die Smet plant, niet van tafel vegen – “met veel aspecten ben ik het eens, denk maar aan het afschaffen van BSO/TSO/ASO” – maar hij is “erg bezorgd”.


Zeker in het licht van de cijfers die hij bij de OESO ziet passeren. Het probleem van ons onderwijs zit momenteel vooral bij de goed presterende leerlingen en niet zozeer bij de zwakkeren, zegt Van Damme. Uit een internationale leestest bleek dat in 2009 12,5 procent van de leerlingen het hoogste niveau behaalden. In 2000 was dat nog bijna 16 procent. “Ondertussen blijft de laagste groep nagenoeg stabiel, maar ook de middenmoot gaat erop achteruit”, zegt hij. “Daar maak ik mij echt zorgen over. En dat is geen argument tegen gelijke kansen, maar wel tegen het invoeren van structuren die dienen om louter kansengroepen te stimuleren. Want vergis je niet: de zwakste groep doet het in Vlaanderen internationaal gezien nog altijd goed, in tegenstelling tot wat je vaak hoort.”


Voor zover bekend wil Smet kinderen van alle niveaus zo veel mogelijk mixen om tot heterogene klassen te komen. “Het is een romantisch ideaal om iedereen samen te zetten, maar studies hebben aangetoond dat het in merendeel van de gevallen niet werkt”, zegt Van Damme. “Idem voor het uitstellen van de studiekeuze van 12 naar 14. Dat is in Vlaanderen nutteloos.”


“Wij hebben al een vrij grote gemeenschappelijke eerste graad”, vervolgt Van Damme. “Geen enkel ander land maakt de beweging die wij nu willen maken. In plaats van een brede eerste graad is het zaak te zoeken naar een slimme manier om kinderen vroeg in de juiste richting te krijgen. Tegelijkertijd moet je ervoor zorgen dat kinderen wel nog van de ene richting naar de andere kunnen switchen.”


Velen vrezen door de ingrepen ook dat het niveau zal dalen. “Als je iedereen tot op 14 jaar hetzelfde traject laat volgen, verkort je de tijd om tot een bepaald excellentieniveau te geraken”, zegt Van Damme. “Wat je nu doet, lukt niet op vier jaar.”


Wat we wel moeten doen is inzetten op goede leerkrachten en onze scholen confronteren met de realiteit. “Uit een analyse van de cijfers blijkt dat schoolkeuze in Vlaanderen erg bepalend is. Het verschillen tussen scholen is heel erg groot en er is in feite geen manier om hun kwaliteit te meten. Centrale examens zullen in Vlaanderen niet aanvaard worden, maar interne peilingtoetsen zijn al een stap in de goede richting.”


Pascal Smet wil zelf niet uitgebreid reageren op de visie van Van Damme, die hij ‘interessant en genuanceerd’ noemt. Hij laat wel weten om met de opmerkingen rekening te houden.
 
 
En in de standaard
 
OESO kritisch over hervormingsplan Pascal Smet
  • dinsdag 09 oktober 2012, 07u41
  • Bron: Belga
  • Auteur: bvb
http://1.standaardcdn.be/Assets/Images_Upload/2012/10/09/11beb740-11d4-11e2-8c6e-2c991206c67d_web.jpg.h380.jpg
BELGA
BRUSSEL – De studiekeuze uitstellen tot 14 jaar, zoals Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet (sp.a) wil, is nutteloos en hypothekeert de toekomst van jongeren. Dat zegt Dirk Van Damme, hoofd onderwijsonderzoek en -vernieuwing bij de OESO, schrijft De Morgen dinsdag.
Vlaanderen focust te veel op kansengroepen, terwijl vooral de doorsnee- en topleerling het alsmaar minder doet, aldus Van Damme.
Het probleem van ons onderwijs zit momenteel vooral bij de goed presterende leerlingen en niet zozeer bij de zwakkeren, zegt hij. Uit een internationale leestest bleek dat in 2009 12,5 procent van de leerlingen het hoogste niveau behaalden. In 2000 was dat nog bijna 16 procent, luidt het in de krant.
De zwakste groep daarentegen doet het in Vlaanderen internationaal gezien nog altijd goed, aldus nog Van Damme. Hij benadrukt dat het niet gaat om een argument tegen gelijke kansen, maar wel tegen het invoeren van structuren die dienen om louter kansengroepen te stimuleren.
 
 
 

13 domme vragen over de onderwijshervorming
bedenkingen vanuit de leraarskamer
  • dinsdag 04 september 2012
  •  
  • Auteur: Wouter Van Der Spiegel
Het ASO lijkt wel de norm voor toekomstig geluk, en ondertussen is er een nijpend tekort aan geschoolde arbeiders.
Het ASO lijkt wel de norm voor toekomstig geluk, en ondertussen is er een nijpend tekort aan geschoolde arbeiders.
Photo News
De zinsnede ‘Er zijn geen domme vragen, alleen domme antwoorden’ herkent u vast en zeker uit het grote clichéboek der leraren. WOUTER VAN DER SPIEGEL vond er toch dertien, en wel over de hervormingen in het onderwijs waar niemand het eens over raakt.
De hervormingen van het middelbaar onderwijs zijn al sinds eind vorig schooljaar voer voor discussie, en zullen dat nog wel even blijven. In de kantlijn werpen deze dertien bedenkingen zich intussen op. Het onderwijs zou de sociale ongelijkheid net reproduceren, in plaats van ze te bestrijden. Een panische angst overviel mij als goedmenende leraar: wat doen we dan verkeerd?
1Ik dacht dat na het huwelijk het onderwijs goed was voor de meeste sociale mobiliteit. Bij de vraag waarom andere landen het beduidend beter doen, werd naar Finland verwezen. Onderwijsspecialisten wijzen erop dat een brede eerste graad daar zorgt voor een betere studiekeuze. Maar hoe kan een brede eerste graad en een latere studiekeuze de sociale ongelijkheid reduceren?
2 Zou dat niet meer te maken hebben met het – in dat artikel niet vermelde – feit dat er in Finland in die 1ste graad twee leerkrachten per klas actief zijn zodat er meer en beter kan geremedieerd worden?
3 Zou het niet kunnen dat andere variabelen (de klasgrootte, het taalbeleid, non-discriminatiebeleid op de werkvloer, …) een belangrijker rol spelen dan die brede 1ste graad?
4 Die brede 1ste graad zou ook het watervalsysteem oplossen. Als er iets is wat leerkrachten willen, is het wel dat die waterval verdwijnt. Als er iets is wat veel leerkrachten niet geloven, is het dat die val zal verdwijnen door een brede 1ste graad. Er is duidelijk een probleem met de instroom en de studiekeuze. Maar als er een probleem is met de ingang, moet dan het hele gebouw verbouwd of gesloopt worden?
5 Ouders willen het beste voor hun kinderen en duwen ze te veel in de sterkste richtingen. Zal dit worden opgelost door de namen van die richtingen te veranderen?
6 Binnen de kortste keren zullen de ouders daar ook ‘sterkere’ richtingen vinden. Het is misschien een goed idee om interessegebieden met een meer praktische en een meer theoretische optie in dezelfde school naast elkaar aan te bieden. Maar moet in de beroepswereld het onderscheid tussen bedienden- en arbeidersstatuut dan niet eerst worden weggewerkt?
7 Evenals de waanzinnige verschillen in verloning: geen enkele werkgever is het waard om 100 maal meer te verdienen dan een werknemer. Als het erop aan komt, moeten de enorme verantwoordelijkheden die zij zogezegd torsen toch door de belastingbetaler worden gedragen. Een niet omzeilbare miljonairstaks moet dus de onderwijshervorming voorafgaan. Het kan ouders helpen om met hun kinderen een rationeler studiekeuze te maken die beter past bij hun mogelijkheden.
8 Zou het niet logisch zijn de leerkrachten een grotere rol te laten spelen bij de studiekeuze? Als er over een operatie of gezondheidsprobleem moet worden beslist, laat men dat toch niet over aan familieleden of kennissen. Een afwijking van een advies van leerkrachten en CLB zou nog kunnen door een uitvoerig geargumenteerde aanvraag.
Wat de ingang van het middelbaar onderwijs betreft is het merkwaardig dat het lager onderwijs sterk is afgestemd op het ASO. Als ASO-leraar vond ik het normaal dat toekomstige beenhouwers of bakkers ook correct leren schrijven en rekenen. Als ervaringsdeskundige ouder van een TSO-leerlinge vind ik het spijtig dat het 5de en 6de leerjaar zo sterk toegespitst zijn op het ASO. Is het dan niet merkwaardig dat men in de 1ste graad van het middelbaar alles terug zou opengooien met een brede 1ste graad?
9 De psychologische rijpheid lijkt alsmaar te vervroegen, dan begrijp ik niet waarom men later een studiekeuze moet maken. Tenzij men studiekeuze verwart met beroepskeuze. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat veel pedagogen en beleidsverantwoordelijken uitgaan van het ASO als norm voor toekomstig geluk. En ondertussen heeft onze maatschappij een nijpend tekort aan bakkers, beenhouwers en andere geschoolde arbeidskrachten. 10 Als één van de meest bepalende factoren bij de sociale ongelijkheid het thuismilieu is, waarom concentreren we de inspanning dan niet daarop? In een internaatsysteem zouden enkele negatieve factoren kunnen worden weggewerkt. Maar daar staat natuurlijk ook een prijs tegenover, zowel financieel als menselijk.
11De afgelopen jaren zijn er verschillende veranderingen doorgevoerd (schaalvergroting, tweepolige richtingen in de 3de graad, afschaffing herexamens,…) die geen onverdeeld succes bleken te zijn, of die nu zelfs teruggedraaid moeten worden. En geen enkele beleidsverantwoordelijke die daarvoor de verantwoordelijkheid opneemt. Georges Monard wordt nu over de partijgrenzen heen lof toe gezwaaid, maar in menige leraarszaal is dit niet het geval. Positief is wel dat hij nu zelf pleit tegen grootscheepse veranderingen van bovenaf opgelegd. Overleg tussen de bestaande leerplancommissies zou al fantastisch zijn zodat leerlingen in het 1ste middelbaar niet meer te horen krijgen dat ze termen of methodes uit het 6de leerjaar mogen vergeten of zelfs niet meer mogen gebruiken.
12 De grote hervorming zou een even grote impact kunnen hebben als de invoering van het gemengd onderwijs. Toch staan ons nog grotere praktische, didactische en andere problemen te wachten dan destijds bij de introductie van het VSO. En was dat niet een beetje een slag in het water?
13 Zou het dus niet aangewezen zijn een alternatief tracé te bestuderen dat de negatieve punten wegwerkt zonder dat dit ook gebeurt met de positieve?
Wie? Leraar geschiedenis SMI-Aalst.
Wat? Het debat over de hervorming in het secundair onderwijs is nog lang niet afgerond.
Waarom? Er blijven nog een pak pertinente vragen onbeantwoord.

Onderwijshervorming SO – 2016 – deel 1

In de krant 2016

  1. De onderwijshervorming: vrijheid, blijheid?
08 juni 2016 om 03:00 uur | Eveline Vergauwen en Tom Ysebaert
Een slag in het water of net wat ons onderwijs nodig heeft: vrijheid en maatwerk? Het Vlaams Parlement spreekt vandaag het eerste, maar niet het laatste oordeel uit over de hervorming van het secundair onderwijs. De Standaard ging te rade in onderwijsland. Vooral het technisch onderwijs vreest een degradatie.
edele Brys- directrice handelsschool
Georges Monard- Onderwijsexpert
  1. ‘Vage tekst biedt de kans alles bij het oude te laten’
08 juni 2016 om 03:00 uur | evg
http://s1.standaardcdn.be/Assets/Images_Upload/2016/06/07/7fae461e-2ce5-11e6-adfb-cf1add292da2_original.jpg?maxwidth=992
Joris Snaet
  1. http://s3.standaardcdn.be/Assets/Images_Upload/2016/06/07/7fae461e-2ce5-11e6-adfb-cf1add292da2_original.jpg?height=50&width=50&mode=crop&scale=both
  2. http://s3.standaardcdn.be/Assets/Images_Upload/2016/06/07/f89303c2-2cda-11e6-adfb-cf1add292da2_original.jpg?height=50&width=50&mode=crop&scale=both
Het grootste probleem van de onderwijshervorming? Wat niet in de conceptnota van de Vlaamse regering staat. Althans, dat meent Georges Monard, ook wel eens de ‘vader’ van de onderwijshervorming genoemd. Op het kabinet van toenmalig minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP.A) zette hij de eerste lijnen voor een nieuw secundair onderwijs uit.
‘Deze tekst biedt kansen’, zegt Monard. ‘Maar veel cruciale knopen zijn niet doorgehakt. De problemen worden doorgeschoven naar de netten. Dat heet dan de “vrijheid voor de scholen”. Voor een stuk is dat goed, maar je moet de scholen en netten wel sturen in de richting van de geest van de hervorming. Er is nog veel werk aan de winkel.’
De nieuwe eerste graad is voor Monard zo’n vaag element uit de tekst. ‘In het eerste jaar komt er een 5-urenpakket voor remediëring of verdieping. In het tweede jaar gaat het om zeven uur. Maar wat betekent dat? Als een aso-school die vijf uur met Latijn kan invullen en een tso-school met vijf uur techniek, dan is er helemaal geen uitstel van studiekeuze.’
Mislukking
‘Slimme directeurs die de hervorming niet genegen zijn, zullen die kans grijpen om alles bij het oude te laten. Dan is dit dus een mislukking, omdat je een kind van twaalf jaar oud nog steeds laat kiezen tussen een aso en een tso-school. Zulke keuzes mag je aan hen niet vragen. De nota van de Vlaamse regering laat die mogelijkheid naar mijn inziens toe, maar de tekst is vaag. De minister moet dat verduidelijken.’
Wel positief vindt Monard de betere overgang tussen het basis- en het secundair onderwijs, de aanmoediging van domein- en campusscholen en de beperking van het aantal studierichtingen. ‘De specialisaties in het secundair zijn te eng. Je kunt wel de richting “voeding” aanbieden, maar moeten jongeren écht pralinier worden in het middelbaar? Dat denk ik niet. Hopelijk houdt de minister die verbreding vol. De vele kleine richtingen zijn er vaak gekomen onder invloed van sterke lobbygroepen, zoals de diamantsector bijvoorbeeld. Ik ben dus benieuwd wat de uitkomst zal zijn.’
Monard waarschuwt ten slotte voor de haalbaarheid voor leerkrachten en scholen. ‘Ik lees dat ze meer taalonderwijs, meer wetenschappen, meer muzikale opvoeding willen. Maar wat zal dan minder gebeuren?’
‘Nieuwe richtingen zijn nog namen zonder inhoud’
08 juni 2016 om 03:00 uur | evg
http://s1.standaardcdn.be/Assets/Images_Upload/2016/06/07/342aeb0e-2cd9-11e6-adfb-cf1add292da2_original.jpg?maxheight=416&maxwidth=568rr
Nee, Goedele Brys heeft geen schrik van de onderwijshervorming. Nochtans is minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) van plan veel opleidingen uit haar studieaanbod te hervormen (handel, kantoor) of te schrappen (onthaal en pr).
‘Ons aanbod zal veranderen’, beseft de directrice van de Brugse handelsschool Sint-Jozefsinstituut. ‘Maar wat we vandaag doen, herken ik ook in de nieuwe richtingen, zoals communicatie en marketing, en bedrijfsorganisatie. Voorlopig zijn dat alleen namen zonder inhoud. Nu moeten we de koppen bij elkaar steken om ze goed uit te werken. ­Alles staat of valt met grondig overleg.’
Brys vreest niet dat haar studie­aanbod zal slinken. ‘We moeten minstens een even sterk en het liefst een sterker aanbod kunnen bieden. Het is écht tijd om de leerplannen onder de loep te nemen, zeker bij de arbeidsmarktgerichte richtingen. Al hebben we dat de voorbije jaren ook al gedaan, hoor, in afwachting van de hervorming. Handel is niet wereldvreemd, zoals soms wordt beweerd. We passen onze leerplannen nú al aan.’
In het Sint-Jozefsinstituut kun je voorlopig geen opleiding volgen die alleen op het hoger onderwijs voorbereidt, een zogenaamde ‘doorstroomrichting’. Maar de hervorming biedt kansen. ‘De richting ­bedrijfswetenschappen is interessant’, beaamt Brys. ‘We zijn ambi­tieus, maar zover staan we nog niet.’
Armand Delepeleire- directeur STEM-school
‘Geen opwaardering, wel een amputatie van ons aanbod’
08 juni 2016 om 03:00 uur | evg
http://s4.standaardcdn.be/Assets/Images_Upload/2016/06/07/5a947c3a-2cdc-11e6-adfb-cf1add292da2_original.jpg?maxheight=416&maxwidth=568rr
‘De hervorming moest toch een opwaardering van het technisch onderwijs opleveren? Dit lijkt me niet meer dan een slag in het water.’ Armand Delepeleire, de directeur van de technische ‘domeinschool’ Scheppersinstituut Wetteren, ziet de hervorming met lede ogen aan.
‘Belangrijke studierichtingen zullen uit ons aanbod verdwijnen, zoals elektromechanica en elektriciteit elektronica’, klinkt het. ‘Die worden gedegradeerd tot de richting elektromechanische technieken. Die richting moet ofwel naar een professionele bachelor ofwel naar de arbeidsmarkt leiden. Dat betekent: minder wiskunde en meer praktijk. Maar bij mij zijn het wel degelijk sterke doorstroomrichtingen. Dit betekent een amputatie van ons aanbod. Hopelijk krijg ik genoeg vrijheid en ruimte om de kwaliteit van mijn richtingen alsnog te verzekeren. Maar dat is nu onduidelijk.’
Delepeleire juicht toe dat het ­paradepaardje van het tso, ‘industriële wetenschappen’, opgewaardeerd wordt, maar vreest dat aso-scholen met dat paradepaardje zullen gaan lopen. ‘Dat maakt opgang. Maar aso-scholen zullen nooit échte STEM-scholen worden. Zij hebben niet de knowhow in huis om engineering aan te ­bieden. Het gevolg is wel dat sommige technische scholen hun sterkste leerlingen zullen verliezen aan de klassieke aso-scholen.’
Paul Yperman- Centraal beleid van colleges
‘Jezuïeten openen de deur naar technisch en beroepsonderwijs’
08 juni 2016 om 03:00 uur | ty
http://s3.standaardcdn.be/Assets/Images_Upload/2016/06/07/5775a306-2cd9-11e6-adfb-cf1add292da2_original.jpg?maxheight=416&maxwidth=568rr
De jezuïetencolleges maken een opening naar technisch en beroepsonderwijs. In Turnhout treedt vanaf 1 september de nu nog onafhankelijke secundaire school Hoger Instituut voor Verpleegkunde Sint-Elisabeth (Hivset) toe tot het netwerk. Opmerkelijk, want de jezuïeten worden traditioneel vereenzelvigd met de pure aso-scholen. ‘Wij denken dat wij met ons pedagogisch project ook de meer praktijkgerichte leerlingen iets te bieden hebben’, zegt Paul Yperman, gedelegeerd bestuurder van de vzw Centraal Beleid van de Colleges (Cebeco).
Die beweging spoort met de oorspronkelijke geest van de onderwijshervorming. Of het Turnhoutse dossier de voorbode is van andere ‘overnames’ wil Yperman nog niet zeggen. Ook betekent het niet noodzakelijk dat Hivset aso-richtingen zal aanbieden. In Turnhout is er al een jezuïetencollege, Sint-Jozef.
‘Er komt wel een verbreding,’ kondigt Yperman aan, ‘maar die zal op 1 september nog niet zichtbaar zijn. We zullen op termijn de richtingen uitbouwen die op doorstroming naar hoger onderwijs mikken, maar vele leerlingen studeren nu al voort, dus zo’n ommezwaai is dat niet. Dit is de eerste stap van een proces.’
‘Veel is ook afhankelijk van de mogelijkheden die de overheid ons biedt, want door de huidige programmeringsstop is het niet evident om nieuwe dingen op poten te zetten. Wij zijn benieuwd hoe de nieuwe matrix van studierichtingen in de tweede en derde graad in de scholen uitgerold zal worden.’
Een marketingzet is het alvast niet, benadrukt Yperman. ‘Er bieden zich meer dan genoeg leerlingen aan bij onze scholen.’
Ook de bestuurlijke schaalvergroting die zich afspeelt in het Vlaamse onderwijslandschap, gaat niet aan de jezuïeten voorbij. In Antwerpen en Brussel zijn schoolbesturen aan het fusioneren.
 
3 – 6 -2016
Handel studeren? Kan niet meer vanaf 2018
Vandaag om 06:58 door Jens Vancaeneghem
Handel studeren? Kan niet meer vanaf 2018Foto: Bart Dewaele
Onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) snoeit stevig in het aantal studierichtingen in het middelbaar. Van de 196 richtingen in de tweede en derde graad blijven er nog 143 over. Onder meer de populaire richtingen Handel, Kantoor en Verkoop gaan op de schop. ‘Te veel richtingen vandaag doen niet wat ze beloven’, zegt Crevits.
Het huidige studieaanbod in het middelbaar bestaat al sinds 2002. Hoog tijd om dat eens grondig dooreen te schudden, vindt minister Crevits. Gisteren stelde ze voor het eerst een ­schema voor van hoe dat er in de toekomst dan moet uitzien.
Zo zet ze de schaar in het aantal studierichtingen. In de tweede graad blijven er nog 49 van de 72 richtingen over, in de derde graad daalt dat aantal van 124 naar 94. Sommige richtingen schrapt ze gewoon, andere zijn samengevoegd in nieuwe richtingen.
Paardrijden
De BSO-richtingen ‘Paard­rijden en -verzorgen’ en ‘Dierenzorg’ komen bijvoorbeeld samen in ‘Plant, dier en milieu’. Nog ­andere richtingen krijgen een nieuwe, hippe naam. ‘Industriële wetenschappen’ wordt zo ‘Technologische wetenschappen en engineering’.
Opvallend: leerlingen zullen niet langer een diploma kunnen halen van de populaire richting Handel in het TSO. In het schooljaar 2014-2015 volgden nog zo’n 12.000 leerlingen die richting in de tweede en derde graad samen. Er komt wel een andere richting in de plaats, maar voorlopig is nog onduidelijk hoe die van de vorige verschilt.
‘Te veel richtingen doen vandaag niet wat ze beloven’, zegt Crevits. ‘Dat willen we nu veranderen.’
MINISTER CREVITS INTRODUCEERT BASISGELETTERDHEID IN SECUNDAIR onderwijs
De lat waar alle leerlingen over moeten
03 juni 2016 om 03:00 uur | Van onze redacteur Tom Ysebaert
Wat moeten alle leerlingen beheersen op school? Het komt in de ‘basisgeletterdheid’, een nieuw begrip uit de onderwijshervorming. Nederlands, wiskunde, digitale vaardigheden en financiële kennis zullen erin zitten, kondigt minister Crevits aan. Vier experts geven een aanzet.
Hilde Crevits: ‘Als een leerling het niet haalt, moet de school snel ingrijpen.’Hilde Crevits: ‘Als een leerling het niet haalt, moet de school snel ingrijpen.’ fds
De eindtermen – de minimumdoelen die de meeste leerlingen moeten halen – krijgen er een broertje bij: de basisgeletterdheid. Dat zijn de zaken die álle leerlingen in het secundair moeten kennen. ‘Het gaat om de ­basics, de lat waar iedereen overheen moet’, zegt de minister van Onderwijs, Hilde Crevits (CD&V). ‘Als een school ziet dat een leerling het niet haalt, kan ze snel ingrijpen via remediëring.’
De basics zullen geformuleerd worden voor Nederlands, wiskunde, digitale vaardigheden en financiële kennis. Samen met het onderwijsveld moet nog uitgewerkt worden wat erin komt. De Standaard laat vier specialisten suggesties doen.
1. Nederlands: helder schrijven
‘Als er in de 21ste eeuw één taalvaardigheid nodig is, dan is het kritisch kunnen omgaan met informatie uit teksten, zowel digitaal als op papier, zowel voor je persoonlijke als voor je professionele leven.’ Dat meent Kris Van den Branden van het Centrum Taal en Onderwijs van de KU Leuven.
Een andere vaardigheid die hij graag bij alle jongeren versterkt ziet, is teksten schrijven die helder en samenhangend zijn. ‘Iedereen – ook laaggeschoolden – moet steeds meer schrijven: mails, verslagen, noem maar op.’ Wat ze dan ook beter onder de knie zullen moeten krijgen, is het verschil tussen formeel en informeel schrijven. En spelling? ‘Dat valt mee’, volgens Van den Branden. ‘De jongeren kunnen zonder fouten schrijven als ze erop letten, maar ze zijn vaak wel slordig.’
2. Wiskunde: cijfers en redeneren
Voor Giovanni Samaey (KU Leuven), medeauteur van het boek X-factor over de onzichtbare kracht van de wiskunde, zijn drie dingen elementair. Allereerst: rekenen en inzicht in cijfers. Bewerkingen en eenvoudige vraagstukken oplossen over geld of keukenrecepten, ‘zodat je je niet laat doen door een beetje cijfers’. Redeneervermogen is het tweede. Patronen herkennen, verbanden leggen. ‘Daar heb je soms abstractere manieren van denken voor nodig. Er zijn genoeg redeneringen die je kunt overbrengen op alle leerlingen, ook die zonder wiskundeknobbel.’
Ten slotte is er het praktisch nut van wiskunde. ‘Cruciaal is dat leerlingen beseffen dat de wereld rondom hen vormgegeven is door wiskunde. Of het nu gaat om het voorspellen van het klimaat of over het ontdekken van kredietkaartfraude. Nergens wordt dat praktisch nut duidelijker dan in computers. Een basiskennis in computationeel denken lijkt me daarom essentieel.’
3. Digitaal: ken je cookies
Dat brengt ons naadloos bij digitaal expert Inti De Ceukelaire – bekend als de ethische hacker. Die plaatst internetveiligheid bij zijn prioriteiten. ‘Jongeren komen snel met het internet in aanraking, wijs ze daarom ook snel op de gevaren voor oplichting. Het onderwijs moet informeren over phishing, scammers, het belang van sterke wachtwoorden. Of vragen als: wat zijn cookies, hoe werkt een browser?’
De Ceukelaire vindt ook dat iedereen zich veilig moet kunnen bewegen in de e-commerce. ‘Over tien jaar bestaat baar geld niet meer. Leer de jonge gasten internetbankieren en gebruikmaken van pakweg PayPal.’
Daar mag techniek aan vasthangen. ‘Laat de jongeren robotjes bouwen. Zo zien ze hoe iets werkt en het prikkelt hun creativiteit nog ook.’
4. Geldzaken: beheer je budget
Als er één nood was die minister Crevits op het terrein opving, was het deze: er is nood aan meer financiële educatie. Econoom Geert Noels pleit hier al lang voor. ‘Mensen moeten doorhebben hoe een lening werkt, wat een rentevoet is, zodat ze zich er niet laten inluizen.’
Elementair budgetbeheer is voor iedereen nuttig, vindt Noels. ‘Zorg dat jongeren weten wat een woning of een auto kost en wat de impact daarvan is op hun budget. En breng hen aansluitend wat bankzaken bij. Wat is een rentevoet, hoe zwaar wegen schulden, wat houdt een domiciliëring in. Kortom, leer hen greep te houden op hun inkomsten en uitgaven.’
Er komt een verplichte eindtoets voor leerlingen zesde leerjaar
Gisteren om 19:10 door er | Bron: BELGA
Er komt een verplichte eindtoets voor leerlingen zesde leerjaarFoto: BELGA
Alle scholen zullen in de toekomst een toets moeten afnemen van hun leerlingen in het zesde leerjaar. Het gaat niet om een uniforme eindtest voor alle scholen en de test alleen mag ook niet bepalend zijn voor de overgang naar het secundair, maar de test wordt wel verplicht.
Daarnaast zal elke leerling in de eerste graad van het secundair onderwijs een basiskennis moeten hebben van wiskunde, Nederlands en digitale en financiële geletterdheid. ‘Het gaat echt om de basics. Maar iedereen zal wel over die lat moeten komen’, legt minister van Onderwijs Hilde Crevits uit.
Het zijn maar twee van de vele concrete maatregelen in het akkoord over de modernisering van het secundair onderwijs dat de Vlaamse regering vorig weekend heeft bereikt. De grote lijnen van die hervorming zijn al bekend, met gerichte ingrepen gaande van de kleuterklas tot de veelbesproken matrix met studierichtingen in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs.
Een van de nieuwigheden in het lager onderwijs is dat elke leerling getoetst zal worden op het einde van dat basisonderwijs. Dat stond al wel ingeschreven in het masterplan, maar wordt nu concreter. Nu al organiseren veel scholen netgebonden toetsen (bv. interdiocesane proeven of OVSG-toetsten), maar bedoeling is dat in de toekomst elke school zo’n toets zal afnemen.
Niet allesbepalend
Een uniforme toets voor alle scholen is niet het plan. De scholen mogen zelf kiezen, maar worden wel verplicht de toets te organiseren. De toets zelf moet helpen om te zien of leerlingen de verwachte eindtermen halen.
Het mag echter niet enkel van de toets alleen afhangen of een leerlingen slaagt of niet, al zal het wel meespelen in de beoordeling van de klassenraad. Onderliggende bedoeling van de verplichte toets is om het uitreiken van getuigschriften basisonderwijs meer gelijk te maken over scholen heen.
Basiskennis
Over de eerste graad van het secundair onderwijs is ook al veel gezegd en geschreven. Een nieuwigheid daar is dat er naast de eindtermen wel een pakket basiskennis van elke leerling afzonderlijk zal gevraagd worden. Zo zal elke leerling een ‘basisgeletterdheid’ moeten hebben op het vlak van Nederlands, wiskunde en digitale en financiële kennis.
Minister van Onderwijs Hilde Crevits benadrukt dat het gaat om een ‘basisniveau’. ‘Het moet echt basic zijn, maar het is wel de bedoeling dat iedereen over die lat komt.’ Waar die lat precies zal liggen en wat er precies van elke leerling zal verwacht worden op die domeinen, wordt nog verder besproken met de onderwijsverstrekkers.
Het is niet de bedoeling dat scholen hun aanpak en onderwijsmethode fors bijsturen, specifiek om hun leerlingen die basisgeletterdheid bij te brengen. ‘Het wordt ook geen centraal basisgeletterdheidsexamen’, benadrukt ze.
Reactie Lieven Boeve
Lieven Boeve, topman van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen, reageert tevreden op de ‘uitgestoken hand’ van de minister. ‘We zijn zeer tevreden dat de nota’s er nu zijn. We zijn blij met de uitgestoken hand en zullen dit graag verder mee invullen’, zegt Boeve.
Boeve staat ‘achter de invoering van een eindtoets aan het einde van het basisonderwijs. Wij doen dat zelf ook al met onze interdiocesane proeven. Als zo’n proef ook bedoeld is als kwaliteitstoets voor de scholen kunnen we dat enkel toejuichen. Elke kwaliteitsbevorderende maatregel geniet onze steun’, klinkt het.
Ook aan de plannen voor het invoeren van basisgeletterdheid in de eerste graad van het secundair onderwijs wil Boeve meewerken. ‘Alleen is de vraag daar misschien of we dat best in de eerste graad van het secundair doen of best aan het einde van het secundair.’ Belangrijk voor Boeve is vooral dat de eindtermen zelf op populatieniveau blijven.
analyse sociale dimensie in akkoord over kinderbijslag en onderwijs is beperkt
En de winnaar is… de Vlaamse middenklasse
31 mei 2016 om 03:05 uur | Wim Winckelmans
Zowel bij de hervorming van het secundair onderwijs als in het dossier kinderbijslag stonden de belangen van de Vlaamse middenklasse tegenover een vraag om efficiënter sociaal beleid. Na maanden stevige discussie tussen de regeringspartijen trok de middenklasse, zwaar gesteund door de grootste regeringspartij N-VA, aan het langste eind.
Na maandenlange onderhandelingen lijken de N-VA-ministers in de Vlaamse regering aan het langste eind te trekken.Na maandenlange onderhandelingen lijken de N-VA-ministers in de Vlaamse regering aan het langste eind te trekken. Dirk Waem/belga
De hervorming van het secundair onderwijs werd ooit opgestart uit een sociale bekommernis. Het Vlaamse onderwijs scoort erg slecht op het vlak van gelijke kansen en sociale mobiliteit. In de plaats daarvan reproduceert het sociale ongelijkheid, telt het te veel zittenblijvers en levert het te veel jongeren zonder diploma af.
De discussie over de kinderbijslag heeft een vergelijkbare sociale dimensie gekregen. De hervorming was aanvankelijk vooral bedoeld als een vereenvoudiging (en om aan te tonen dat Vlaanderen de bevoegdheid na de jongste staatshervorming beter zou beheren dan de federale overheid voordien), maar werd onder druk van experts steeds meer gezien als een middel om kinderarmoede te bestrijden.
Daardoor stonden twee belangen tegenover elkaar: die van de Vlaamse middenklasse en die van zwakke sociale groepen, zoals allochtonen. Meer kinderbijslag voor de ene groep betekent bij gelijkblijvend budget minder kinderbijslag voor de andere. Daarnaast leeft de vrees dat een onderwijsstructuur met meer aandacht voor sociale promotie, de sterke punten van het onderwijs voor de anderen ondergraaft.
Er stonden ook drie meerderheidspartijen tegenover elkaar, waarbij de N-VA het meest de belangen van de Vlaamse middenklasse verdedigde, CD&V meer sociale bekommernissen had en Open VLD de nadruk legde op emancipatie.
Beperkt effect
Het resultaat ligt er nu. De sociale correcties in de kinderbijslag zijn beperkt gebleven. Grote vooruitgang zit er in de criteria voor de toekenning van een sociale toeslag. Daarvoor zal niet langer het statuut van de ouders (werkloos, ziek,…) bepalend zijn, wel het inkomen. Bovendien worden de studietoelagen gekoppeld aan de kinderbijslag, wat een automatische toekenning mogelijk moet maken.
Maar de sociale toelagen blijven beperkt tot inkomens tot 29.000 euro per jaar, en bevatten geen geleidelijke afbouw voor iets hogere inkomens, zoals CD&V had gevraagd.
De effecten in de strijd tegen de armoede zijn ook beperkt. Volgens cijfers van minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) daalt de armoede bij de eenoudergezinnen, een van de meest kwetsbare groepen vandaag, met 1,5 procent. maar dan blijft die nog altijd boven 20 procent.
Voor grote gezinnen (vanaf vier kinderen) daalt het armoederisico helemaal niet. De N-VA wees een guller voorstel voor die groep af met het argument dat het geschreven was ‘op maat van allochtone gezinnen’. (DS 23 april)
In het onderwijs zijn de ambities zwaar teruggeschroefd en verandert er weinig of niets, toch niet voor de scholen die niet mee willen. De schotten tussen aso, bso en tso blijven bestaan, wat een opwaardering van het technisch onderwijs in de weg dreigt te staat. Aan de eerste graad, die ‘breed’ had moeten worden om jongeren meer tijd te geven voor hun studiekeuze, verandert amper iets.
Een van de weinige maatregelen die geïnterpreteerd kunnen worden als een keuze om zwakke sociale groepen aan te moedigen, is de beslissing om ouders die hun kind inschrijven in de eerste en tweede kleuterklas, een premie te geven, zoals Open VLD had gevraagd. Naar het effect daarvan is het wel raden.
Selectieve participatietoeslag
De eindbalans slaat dus door in het voordeel van de Vlaamse middenklasse. De nieuwe kinderbijslag blijft breed en weinig selectief, en komt neer op een verschuiving van middelen van het derde (en volgende) kind naar het eerste. Wie vreesde voor een VSO-debacle in het onderwijs, kan opgelucht ademhalen.
De grootste regeringspartij, N-VA, is ook de partij die het meest haar stempel heeft kunnen drukken op dit akkoord, met een kinderbijslag die zelfs hoger uitkomt dan de gevraagde 150 euro per maand, met een hervorming van het onderwijs die de scholen vrij laat en met daarbovenop ook een afslanking van de provincies.
De belofte van een eenvoudig systeem is er wel bij ingeschoten, toch zeker niet in de terminologie. Zo heet een schooltoelage niet langer schooltoelage, maar selectieve participatietoeslag. Wie verzint het?
Mei 2016
De standaard zelf kopt: hervorming maar geen revolutie
 
Analyse Scholen krijgen meer vrijheid en verantwoordelijkheid
Een hervorming, maar geen revolutie
30 mei 2016 om 03:00 uur | Van onze redacteur ,Tom Ysebaert
Geen brede eerste graad en de opdeling tussen aso, tso en bso blijft behouden: de hervorming van het secundair onderwijs bevat politiek voor elk wat wils, maar is geen grote ommezwaai. Scholen moeten hun inbreng doen in het bepalen van opties en studierichtingen.
Deskundigen betwijfelen of deze modernisering de pijnpunten in ons onderwijs – te veel schoolverlaters, te veel zittenblijvers – zal wegwerken.Deskundigen betwijfelen of deze modernisering de pijnpunten in ons onderwijs – te veel schoolverlaters, te veel zittenblijvers – zal wegwerken. Marcel van den Bergh
Nee, een grote hervorming voert de Vlaamse regering niet door in het secundair onderwijs: geen uitstel van de studiekeuze, geen brede eerste graad, en de onderwijsvormen aso, tso, kso en bso blijven behouden. ‘Een gemiste kans’, kapittelt Groen. ‘Voorspelbaar compromis zonder ambitieuze keuzes’, vindt de SP.A.
Toch is deze uitkomst niet verrassend. Al bij de totstandkoming van het Masterplan in juni 2013, nog met de SP.A in de regering, was gebleken dat er geen drastische ingrepen op til waren. Belangrijke delen van dat Masterplan zijn nu bezegeld. Voor elke regeringspartij zat er wat wils in.
De N-VA, altijd een koele minnaar van een hervorming, is blij dat de onderwijsvormen overeind blijven. ‘Die zijn bekend en duidelijk’, zegt onderwijsspecialist Koen Daniëls.
Open VLD, dat zich de jongste weken met voorzitster Gwendolyn Rutten op het voorplan had gewerkt, kreeg gedaan dat er meer wordt ingezet op kleuteronderwijs en op meer vreemde talen in de lagere school. ‘Scholen zijn vragende partij’, zegt Jo De Ro. ‘Maar als ze daarvoor niet de geschikte leerkrachten hebben, hoeven ze dat niet te doen.’
CD&V is opgetogen dat de extra uren boven op de basisvorming in de eerste graad vrij ingevuld kunnen worden, op maat van de leerling. ‘Dat de scholen de ruimte krijgen om dit te doen, was voor ons belangrijk’, aldus Kathleen Helsen.
Minister Hilde Crevits (CD&V) kan het pure feit dat er een akkoord is in dit heikele dossier op haar palmares schrijven. Meteen krijgt ze meer ademruimte om aan andere dossiers te werken. Het loopbaanpact, bijvoorbeeld, om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken.
Alles is mogelijk
Opvallend is dat de scholen veel vrijheid krijgen. Zo kunnen ze ervoor kiezen een domeinschool te worden, maar net zo goed een aso- of tso/bso-school blijven. In het eerste geval liggen er wel financiële stimuli klaar om zich van de nodige technische uitrusting te kunnen voorzien.
Lieven Boeve, topman van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, is blij ‘dat de overheid de vrijheid van onderwijs erkent’. Zijn evenknie van het Gemeenschapsonderwijs (GO!), Raymonda Verdyck, is minder opgezet. ‘De vrijblijvendheid zal het voor de ouders moeilijk maken om te weten in welke school hun kind terechtkomt. Als we komaf willen maken met de negatieve effecten in het onderwijs, gebeurt dat het best voor iedereen op dezelfde manier.’
De vakbonden reageren vernietigend. ‘Dit is vlees noch vis’, zegt Raf Deweerdt van het socialistische ACOD. ‘Er zijn helemaal geen keuzes gemaakt. Alles is mogelijk.’ Ook Jos Van Der Hoeven van de Christelijke Onderwijscentrale klinkt sceptisch. ‘Dit is al de derde hervorming die ik meemaak, maar wat verandert er eigenlijk?’
Met de vrijheid komt ook verantwoordelijkheid. De minister vraagt de onderwijswereld voorstellen te doen over de invulling van de basisopties voor het tweede jaar. Ook moet ze suggesties doen over de studierichtingen in de tweede en derde graad. Die wil Crevits van 150 naar 100 terugbrengen.
Gemakkelijkheidsoplossing
Hoe deze hervorming te zien zal zijn in het curriculum, is een kwestie voor het Vlaams Parlement, dat zich over de eindtermen buigt. Nieuw is dat er drie beheersingsniveaus komen: basisgeletterdheid (wat alle leerlingen moeten beheersen), de eindtermen (die de meeste leerlingen moeten halen) en uitbreidingsdoelen. Die laatste worden door de onderwijsverstrekkers zelf vastgelegd.
Zal deze modernisering de pijnpunten in ons onderwijs – te veel jongeren in de steden verlaten de middelbare school zonder diploma, te veel zittenblijvers – wegwerken? De politici zijn ervan overtuigd, onderwijskundigen betwijfelen het. ‘De oorzaak van het probleem is de afwezigheid van een brede eerste graad. Deze hervorming dreigt een gemakkelijkheidsoplossing te worden’, zegt Ides Nicaise (KU Leuven).
 
 
Wat verandert er (bij tabel)
In het basisonderwijs
In de derde kleuterklas zullen kinderen 250 in plaats van 220 halve dagen aanwezig moeten zijn, om naar de lagere school te mogen overstappen.
Taalinitiatie kan vanaf het eerste leerjaar. Dat is geen taalles maar pakweg een liedje zingen. Vanaf het derde leerjaar kan les Frans, Engels of Duits wel. Een ander vak in een vreemde taal geven, zoals in sommige secundaire scholen gebeurt, kan niet.
Tijdens de laatste twee jaar van de lagere school zullen leerlingen kunnen differentiëren. Speciale leerkrachten voor bijvoorbeeld Frans of techniek kunnen worden ingezet.
In het secundair
In het eerste jaar kunnen de vijf uren die boven op de basisvorming komen, anders worden ingevuld. Ofwel verdiepend, bijvoorbeeld extra wiskunde voor wie meer aankan, ofwel remediërend, voor wie achterstand moet inhalen.
Op het einde van het eerste jaar zal een b-attest onmogelijk zijn. Een leerling kan een a-attest krijgen, eventueel met verplichte remediëring, of een c-attest. Herexamens blijven mogelijk.
In de tweede en de derde graad vervangen 8 studiedomeinen de huidige 29 studiegebieden. Binnen die domeinen zullen de richtingen ondergebracht worden naargelang ze leerlingen klaarstomen voor hogere studies of voor de arbeidsmarkt, of beide keuzes openlaten.
Sommige studierichtingen zullen verdwijnen, andere zullen een andere inhoud krijgen. Zo is het mogelijk dat economie-moderne talen of humane wetenschappen meer wiskunde (statistiek) zal bevatten, omdat de hogere studies waar ze jongeren op voorbereiden dat vergen.
Wie een b-attest krijgt, is niet verplicht naar een andere richting over te schakelen, maar kan nog beslissen zijn jaar over te doen.
De hervorming gaat in op 1 september 2018.